Zionisten en jodenuitroeiing | voorpublicatie
Zionisten en de joodse gemeenschap in de Palestijnse gebieden, de Yishuv (Hebreeuws voor ‘nederzetting’) hadden voor, tijdens en aanvankelijk ook na de Tweede Wereldoorlog bijzonder weinig belangstelling voor het lot van de Europese joden. De opbouw van een eigen thuisland kreeg absolute voorrang. De vervolging en uitroeiing van de Europese joden bevestigde immers het zionistische gelijk: assimilatie en integratie halen niets uit, joden zullen altijd en overal bespot, gediscrimineerd, vervolgd, verdreven en gedood worden door antisemieten en wie er profijt bij heeft.
Een nazi in Palestina
Een drietal maand nadat Hitler aan de macht was gekomen trok Leopold Itz von Mildenstein, lid van de lagere Boheemse adel en de latere SS-Obersturmbannführer, op uitnodiging van de Zionistische Federatie van Duitsland, samen met de Berlijnse zionist Kurt Tuchler en beider echtgenotes naar de Palestijnse gebieden om kennis te maken met de joodse nederzettingen en steden om er indien mogelijk iets positiefs over te schrijven. Von Mildenstein werd al lang sterk geboeid door het zionisme en dacht na zes maand durende autotocht door het Midden-Oosten (Palestina, Egypte, Libanon, Jordanië, Syrië, Irak en Jemen) dat de Zionistische Federatie het bij het rechte eind had: een joodse staat in de Palestijnse gebieden kon het jodenprobleem in Duitsland oplossen.
(© Goldfinger / Tuchler Familienarchiv ) https://www.bpb.de/themen/nationalsozialismus-zweiter-weltkrieg/die-wohnung/195248/die-artikelserie-ein-nazi-faehrt-nach-palaestina/
Von Mildenstein schreef er twaalf lovende, ja bewonderende artikels over die eind september, begin oktober onder zijn pseudoniem LIM gepubliceerd werden in Der Angriff, het lijfblad van Joseph Goebbels, minister voor volksvoorlichting en propaganda (‘Ein Nazi fährt nach Palästina’, 25.9-9.10). De inleiding bij het eerste artikel eindigt met de vraag ‘Is hier de oplossing voor het jodenvraagstuk gevonden?’. Von Mildenstein vond dat de meeste joden in de Yishuv optimistische, hardwerkende, eerlijke mensen waren - het tegendeel dus van het antisemitische stereotype dat hij toepaste op de Palestijnse Arabieren die hij toevallig ontmoette.
Von Mildensteins reisverslag kreeg behoorlijk wat aandacht. Het partijorgaan van de nazipartij, de Völkische Beobachter, publiceerde uittreksels en illustraties eruit en Der Angriff liet voor de gelegenheid voor zijn abonnees een medaille slaan die naast de titel van de artikelenserie op de voorzijde de Davidster droeg en op de achterzijde het hakenkruis.1
https://www.kedem-auctions.com/en/content/nazi-medallion-swastika-and-star-david%E2%80%93-nazi-travels-palestine-1934(veiling begin 2013). Zie ook https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn560259
Leopold von Mildenstein in Palestina (1933). (© zero one film) https://www.bpb.de/themen/nationalsozialismus-zweiter-weltkrieg/die-wohnung/195248/die-artikelserie-ein-nazi-faehrt-nach-palaestina/
Von Mildensteins artikelenserie trok ook de aandacht van Reinhard Heydrich, hoofd van de SIPO (Sicherheitspolizei) en de Veiligheidsdienst van de SS (SD, Sicherheitsdienst), en die gaf hem opdracht een ‘Joodse afdeling’ op te richten bij de SD. Von Mildenstein probeerde de zionistische gedachte verder te verbreiden onder Duitse joden, in de hoop dat er almaar meer joden naar de Palestijnse gebieden zouden trekken. In 1938 vormde zijn artikelenreeks de basis voor een sterk uitgebreid en rijkelijk geïllustreerd boek op zijn naam, een werk waarvan zijn latere opvolger Adolf Eichmann gebruik gemaakt zou hebben om het jodenprobleem te doorgronden.2
Let op de oliepijpleidingen.Ondertitel van het boek: ‘Een reis naar de bron van het vloeibare goud’.
Ha’avara
Op 21 juni 1933 stuurde de Zionistische Federatie van Duitsland Hitler een brief waarin ze hem welkom heette, begrip en steun beloofd. Ze hoopten dat het naziregime een ‘vruchtbare kracht zou vormen voor het zionisme’. De nieuwe staat was [immers] ‘gevestigd op het principe van het ras’ en dat maakte ‘vruchtbare activiteit voor het vaderland mogelijk’. Ze schreven dit niet om Hitler te vleien, ze meenden het echt (Greenstein, 54-55). Zionisten trokken zich ook niets aan van de economische boycot van nazi-Duitsland waarvoor vooral Amerikaanse joden ijverden, integendeel, ze drongen aan op een handelsovereenkomst met het naziregime, de Ha’avara (Hebreeuws voor ‘transfert’, een term die ook in Duitse documenten werd gebruikt). Het naziregime wilde de joden kwijt, zionisten wilden zoveel mogelijk joodse arbeidskrachten naar de Palestijnse gebieden halen. Samenwerking lag voor de hand.
Voor de jodenuitroeiing begon, was de grootste vijand van de zionisten niet nazi-Duitsland, dat meer dan gewillig was om emigratie van joden toe te laten, maar Groot-Brittannië dat de toegang tot de Palestijnse gebieden had geblokkeerd. In 1939, kort voor het begin van de oorlog, had de Britse regering een reeks pro-Arabische, antizionistische regels uitgevaardigd vooral omwille van de Arabische olie. Deze White Paper policy beperkte voor de komende vijf jaar het aantal joden dat zich in het Britse mandaatgebied Palestina mocht vestigen. Daarna zou het aantal toegelaten joodse immigranten afhangen van Arabische instemming (Segev, 83).
De joodse sociaaldemocratische arbeiderspartij, Mapai, met als leider David Ben-Gurion (in de Yishuv zijdelings betrokken bij joodse terreur, later eerste minister-president van Israël), controleerde de legale immigratie. De Britten legden het aantal migranten vast, Mapai vulde in wie kwam. Om de Engelsen niet te ontstemmen en de eigen selectiemacht niet in gevaar te brengen, stak Mapai geen helpende hand uit naar de vele illegale vluchtelingen. In 1939 bijvoorbeeld weigerde de Yishuv asiel te verlenen aan enkele honderden Duits-joodse vluchtelingen die op de Duitse pakketboot St. Louis over de Atlantische oceaan ronddobberden omdat geen enkel land zijn grenzen wou openstellen. Uiteindelijk kregen ze een onderkomen in Frankrijk, België en Nederland, landen die kort nadien door Duitsland bezet werden.
Moeizame onderhandelingen tussen enerzijds nazi’s en anderzijds onderling sterk van mening verschillende joodse organisaties, zoals Duitse Zionistische Federatie, het Jewish Agency (uitvoerende arm van de zionistische organisatie) en de Palestine Land Development Company, leidden begin augustus 1933 tot een handelsovereenkomst. De Yishuv haalde arbeidskrachten en Duitse goederen binnen, de nazi's raakten joden kwijt, konden naar de Palestijnse gebieden exporteren en de internationale boycot doorbreken.
Het Ha’avara systeem functioneerde op een of andere wijze tot midden Tweede Wereldoorlog toen beslist werd alle Europese joden uit te roeien en emigratie van joden daarom werd verboden. Ha’avara was een complex systeem dat Duitsland toeliet goederen te exporteren naar het Midden-Oosten en Cyprus, en waardoor duizenden joden naar de Palestijnse gebieden konden emigreren met meer geld dan gebruikelijk en, zoals later zou blijken, aan een gewisse dood ontkwamen. Zo’n twintigduizend joden en dertig miljoen dollar verhuisden van Duitsland naar de Palestijnse gebieden. Geen immens bedrag, maar wel een stimulans voor de zionistische beweging en de economie in de Yishuv (Greenstein, 59, 115-121; Segev, 22).
Yishuv
Zionisten wilden het joods thuisland alleen realiseren in het Beloofde land, het bijbelse Eretz Yisrael, waar al enkele honderdduizenden joodse ‘pioniers’ leefden. Toen in juli 1938 in Evian-les-bains een internationale conferentie doorging met als doel het joodse vluchtelingenprobleem op te lossen (zie hieronder), vreesden veel zionisten, onder meer David Ben-Gurion en het Jewish Agency, dat de conferentie ‘het einde van Palestina als immigratieland kon betekenen’ en dus het zionisme in gevaar was. Het mislukken van de conferentie was een hele opluchting maar tevens een ‘overtuigend bewijs van de onverschilligheid en hypocrisie van de wereld tegenover het lot van de joden’, iets wat ook Der Angriff, Goebbels nieuwsblad, blokletterde (Segev, 28; Greenstein, 297, 302-304). Toen de leiders van de Reichsvereinigung, de door de nazi’s opgelegde Duitse Joodse Raad, in 1942-43 beseften dat de zogenaamde hervestiging van joden in het oosten neerkwam op deportatie naar moordfabrieken, bleven ze gehoorzaam transporten organiseren (Greenstein, 91).
Ook toen de jodenuitroeiing volop woedde had men er in de Yishuv weinig belangstelling voor. Ooggetuigenverslagen werden sceptisch onthaald en de media beperkten zich tot kanttekeningen, in de rand van oorlogsnieuws en verslagen over sportmanifestaties, modeshows en dies meer. Immigranten uit Duitsland en Oostenrijk kregen aanvankelijk wel voorrang op joden uit minder bedreigde gebieden, maar toen er steeds meer behoeftigen, zieken en politiek onverschillige joden in de Palestijnse gebieden arriveerden, en het protest tegen de voorrangsregeling aanzwol, werden strenge selectiecriteria ingevoerd waardoor twee derden van de uit Duitsland en Oostenrijk afkomstige joden werden afgewezen (Greenstein, 305). Nog voor de oorlog begon hadden sommige joden langer dan nodig in Dachau gezeten omdat ze niet voldeden aan de economische en ideologische vereisten van de joodse gemeenschap in de Palestijnse gebieden.
Op het hoogtepunt van de jodenmoord hielden zeshonderd zionistische leiders uit achttien landen in New York een conferentie (de Biltmoreconferentie, vernoemd naar het hotel waar ze plaatsvond van 9 tot 11 mei) met als onderwerp het stichten van een Joods Nationaal Thuis, een joods gemenebest, in de Palestijnse gebieden. Het Biltmoreprogramma eiste onbeperkte joodse immigratie in de Palestijnse gebieden waar toen al een half miljoen joden woonde. Dat er ook Arabieren huisden kwam zo goed als niet ter sprake.
Toen joden massaal gedeporteerd werden naar getto’s en uitroeiingskampen, drongen Ben-Gurion en andere zionisten erop aan dat ze naar geen ander land dan de Palestijnse gebieden zouden emigreren. Het heden, de uitroeiing van Europese joden, moest wijken voor de toekomst, het zionisme. Toen de slachting volop aan de gang was, spraken sommige zionisten er al in de verleden tijd over. Eind 1942 speculeerden enkele zionistische politici over herstelbetalingen van Duitsland aan de toekomstige joodse staat. Er werd zelfs al een herdenkingsmonument gepland, het latere Yad Vashem (Greenstein, 123, 293, 306). Op 24 augustus 1943 maakte Ben-Gurion in naam van het Jewish Agency duidelijk dat zionisten alleen tot taak hadden joden naar de Palestijnse gebieden te halen. Joden in Europa redden of naar andere landen overbrengen was een opdracht voor filantropische joodse instellingen, zoals het American Jewish Congress en het Joint Distribution Committee (een in 1914 in de VS opgericht comité dat steun en hulp verleende aan joden in overzeese gebieden) (Segev, 83).
Door de prominente plaats die de Holocaust vandaag in het zionistische verhaal inneemt, is het bijna niet te geloven dat terwijl de jodenmoord zich voltrok zionisten de andere kant op keken. Ze zagen de Grote Catastrofe - zoals de jodenmoord toen in joodse kringen heette – als een natuurramp waar niets tegen te beginnen viel. Ze hadden altijd al gezegd dat de diaspora een doodlopend straatje was. Dit verklaart ook waarom de Wereld Zionistische Organisatie verscheidene voorstellen verwierp om elders dan in de Palestijnse gebieden een joods onderkomen te vestigen. Bijvoorbeeld toen Australië zich in juli 1933 bereid verklaarde om in de noordelijke regio rond de stad Darwin duizenden Duits-joodse families te vestigen, en het latere Japanse voorstel om een joods thuisland te stichten in het door hen bezette Mantsjoerije.
De houding van de joodse pioniers tegenover inwijkelingen uit Duitsland en Oostenrijk evolueerde tijdens de oorlog verder in negatieve zin. De immigranten werden afgekeurd omdat zij en de slachtoffers niet teruggevochten hadden, niet eervol overleefd, roemloos ten onder waren gegaan (Segev, 109). Ze werden ‘Hitler-zionisten’ (Segev, 43; Greenstein, 306) en ‘sabon’ genoemd, ‘zeepjes’ naar de mythe dat Hitler zeep had laten maken uit jodenvet. Ben-Gurion noemde de Shoah (Hebreeuws voor ‘catastrofe’) laatdunkend een 'zeepfabriek' en Menahem Begin (tot de stichting van Israël lid van de joodse terreurgroep Irgun en later premier van Israël) gebruikte dit zeepthema herhaaldelijk om er politiek profijt uit te slaan (van den Berghe-1995/2). Velen meenden dat alleen de meest egoïstische en meedogenloze joden de catastrofe hadden overleefd, hadden kùnnen overleven.
Na de oorlog veranderde er bitter weinig. Eerst de ideologie, dan de mens. Die politiek zorgde er onder meer voor dat nogal wat joodse overlevenden langer dan nodig in vluchtelingenkampen in Europa zaten. Hun beklagenswaardige toestand liet toe de druk op de internationale gemeenschap op te voeren om de oprichting van de joodse staat te bespoedigen.
Kasztnerproces
Het politieke gevecht in Israël om de herinnering en de betekenis van de Grote Catastrofe begon op 1 januari 1954 met het Kasztnerproces. Israel Rudolf (Rezso) Kasztner was tijdens de Tweede Wereldoorlog een zionistisch functionaris in Budapest, verbonden aan de arbeiderspartij Mapai. In 1944 onderhandelde hij met Adolf Eichmann om zoveel mogelijk Hongaarse joden vrij te kopen voor ze uitgeroeid werden. In ruil voor zijn stilzwijgen over het lot dat bijna vijf miljoen Hongaarse joden te wachten stond, kreeg Kasztner uiteindelijk een vrijgeleide voor in totaal 1685 joden, waaronder zijn uitgebreide familie en zionistische dorpsgenoten. In zijn in 1946 opgesteld ‘Rapport over het joods reddingscomité in Boedapest’ worden de echte slachtoffers alleen terloops vermeld.
LGLou - Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=124440883
Dergelijke collaboratie liet men in Israël liefst onbesproken. Tot Kasztner, ondertussen kandidaat voor de Knesset (het Israëlische parlement), onder zionistische druk een proces wegens smaad aanspande tegen Malchiel Gruenwald, een Hongaarse jood die hem van collaboratie beschuldigde. Gruenwald schilderde het Jewish Agency af als ‘de Joodse Raad van Palestina’ en verklaarde ze medeplichtig aan de vernietiging van het Hongaarse jodendom.
Het door de staat bekostigde proces draaide anders uit dan gepland. Na afloop bestond er niet de minste twijfel meer over Kasztners collaboratie met de SS. In mei 1944 had hij, als hoofd van het joods comité voor hulp en redding in Boedapest, inzage gekregen in het rapport dat Rudolf Vrba en Alfred Wetzler, twee uit Auschwitz ontsnapte gevangenen, hadden opgesteld. Beiden hadden in het Kanadakommando gewerkt, de barakken waar de schamele bezittingen van pas aangekomen gedeporteerden op geld en juwelen werden doorzocht (Canada gold destijds als het land van melk en honing). Vrba en Wetzler, die bijzonder goed op de hoogte waren van het reilen en zeilen in Auschwitz, waren op 10 april 1944 ontsnapt en opgevangen in Slovakije. Eens in veiligheid deden ze er alles aan om de Hongaarse joden in te lichten over de voorbereidingen om nu ook alle Hongaarse joden te vermoorden. Kasztner besloot samen met enkele andere zionistische leiders het Vrba-Wetzler rapport geheim te houden, kwestie van zijn onderhandelingen met de SS niet in gevaar te brengen.
Het proces werd een afrekening tussen politieke partijen. In feite werd het proces gemaakt van de Arbeiderspartij, overlevenden die hadden gecollaboreerd en slachtoffers die zich als schapen naar de slachtbank begeven hadden. De gedreven debatten over hoe joden zich in getto's en kampen hadden moeten gedragen, weerspiegelden het zelfbeeld van nogal wat zionisten en zette de bakens uit voor de politieke toekomst van de natie (Segev, 257-265; Greenstein, 175-208).
Eichmannproces
In de nasleep van het proces tegen Adolf Eichmann, de organisator van de verdrijving en deportatie van miljoenen joden, in 1961 in Jeruzalem werden Holocaust en Auschwitz ‘omhelsd als de hoeksteen van Israëls collectieve identiteit’ (Greenstein, 347). Het geruchtmakende Eichmannproces was bedoeld om ‘de historische schuld op te lossen die sinds het Kasztnerproces aan het Mapai leiderschap kleefde’. Het ging niet over de schuld van Eichmann, die stond vast, maar om het hervormen van Israëls nationale eigenheid tot een slachtofferidentiteit. Er werd dan ook niets aan toeval overgelaten. Helden van het antizionistische joods verzet mochten niet getuigen en de jodenuitroeiing werd niet in historisch perspectief geplaatst. Het lot van de vele andere en eerdere slachtoffers van nazi-Duitsland werd verzwegen, anderen genocides en misdaden tegen de menselijkheid kwamen niet ter sprake. ‘Het doel van het proces was minder de geschiedenis begrijpen dan wel die te herschrijven’ (Greenstein, 351).
Het proces moest alle Israëli's doordringen van de lessen van de Holocaust, de joodse inwijkelingen uit Arabische landen die weinig voeling hadden met zionisme en Israël, en natuurlijk ook Israëlische jongeren die niet langer bezield werden door de pioniersmentaliteit. Die konden hun oren niet geloven toen ze hoorden dat Europese joden als lammeren ter slachtbank gegaan waren. Ze wilden niet langer doorgaan voor weerloze slachtoffers (Rousso, 179; Wormser-Migot, 96). Joden hadden nu een eigen staat en die kon van zich afbijten. De wereld moest eraan herinnerd worden dat ze met de Holocaust een schuld en plicht op zich had geladen: Israël door dik en dun steunen (Dawidowicz, 15; Fackenheim, 211; Rousso, 153; Steiner, 43). En zo geschiedde, de westerse wereld schraagde en schraagt het voort durende Israëlische kolonialisme zowel politiek, financieel als militair.