Alibi Theresienstadt (voorpublicatie) | Voorpublicatie boek
Theresienstadt is in België vrij onbekend gebleven. Sommigen hebben er nooit van gehoord, anderen weten dat kinderen en volwassenen er prachtige en aangrijpende tekeningen hebben gemaakt, en dat de SS er een propagandafilm heeft gedraaid. Deze betrekkelijke onwetendheid heeft te maken met het feit dat de joden uit België niet naar Theresienstadt maar naar Auschwitz werden gedeporteerd. Eigen volk eerst.
Van november 1941 tot mei 1945 werden in totaal 141.000 tot 143.000 joden in beestenwagens naar Theresienstadt getransporteerd. Meer dan de helft kwam uit het Protectoraat (bezet Bohemen en Moravië, Tsjechië), velen uit Duitsland (42.000) en Oostenrijk (15.000), 4.900 uit Nederland en 466 uit Denemarken. Vanuit Theresienstadt werden 87.000 tot 88.000 joden op transport gesteld naar uitroeiingskampen als Majdanek, Treblinka en Auschwitz. In het getto zelf kwamen 33.000 tot 34.000 mensen om door ontbering en ziekte, vooral oudere gevangenen die om keiharde maar begrijpelijke redenen door medegevangenen en het joodse zelfbeheer werden achtergesteld. Kinderen, de toekomst van de (joodse) natie, kregen absolute voorrang.
Jodenuitroeiing
Anders dan vaak wordt beweerd wou Adolf Hitler toen hij in 1933 aan de macht kwam de joden niet uitroeien, hij wou ze kwijt. Door discriminatie, vervolging, beroepsverboden, onteigening, racistische wetgeving (Neurenbergerwetten, 15.9.1935) en een grootschalige pogrom (Reichskristallnacht, 9/10.11.38) stelden hij en de zijnen alles in het werk om de joden uit Duitsland te verdrijven.
In 1933 verlieten 37.000 van de in totaal 525.000 joden Duitsland. Tot 1937 volgden jaarlijks nog zo’n twintigduizend lotgenoten. Driehonderdduizend joden konden Duitsland verlaten voordat die emigratie op 22 oktober 1941 werd verboden, kort na de invasie van de Sovjet-Unie, het moment waarop besloten werd de joden – waar de hele wereld van wegkeek – dan maar uit te roeien.
Jodenvrij
Op 17 september 1941, in volle operatie Barbarossa – de Duitse inval in de Sovjet-Unie – besloot Hitler dat het Altreich en het Protectoraat Judenrein moesten worden. Ze zouden naar verluidt in het Oosten ingezet worden voor zware arbeid (Arbeitseinsatz).
Op 10 oktober 1941 belegde Reinhard Heydrich, Reichsprotektor van het Protectoraat, een vergadering om de ‘oplossing van het jodenvraagstuk’ in Bohemen en Moravië te bespreken. Aanvankelijk plande hij twee getto’s, maar er kwam er maar één: Theresienstadt (Terezín in het Tsjechisch), een vestingstad uit de 18de eeuw op zestig kilometer ten noordwesten van Praag.
Eind 1941 werden vanuit Praag de eerste Tsjechische joden naar Theresienstadt gedeporteerd om een deel van de vesting voor te bereiden op de komst van tienduizenden joden. In het andere deel woonden tot halverwege 1942 Duitse militairen en Tsjechische niet-joodse burgers.
Op 20 januari 1942 werden op de Wannseeconferentie alle bij de jodenuitroeiing betrokken Duitse instanties ingelicht over de geplande uitroeiing van elf miljoen Europese joden, een genocide die al enkele maanden bezig was. In zijn toespraak zei Heydrich te beseffen dat men in binnen- en buitenland weinig geloof zou hechten aan het voor zware arbeid inzetten van kinderen, zwangere vrouwen, bejaarden en gebrekkigen. De top van de Wehrmacht – het reguliere Duitse leger – had er ook op aangedrongen dat joden die in de Grote Oorlog voor het vaderland hadden gestreden, gehandicapt of gedecoreerd waren, niet naar het Oosten te deporteren, net zomin als vooraanstaande joden wier verdwijning vervelende vragen uit het buitenland kon uitlokken.
Daarom, zei Heydrich, ‘zijn we van plan joden vanaf vijfenzestig jaar, zwaar gehandicapte joden en dragers van oorlogsonderscheidingen over te brengen naar een Altersghetto – voorzien is Theresienstadt.’ ‘Met deze doelmatige oplossing’, vervolgde Heydrich, ‘worden in één klap de vele interventies uitgeschakeld’, tussenkomsten van het Rode Kruis en joodse instanties in het buitenland. Getto Theresienstadt kreeg van bij het begin een alibifunctie.
In mei 1942 arriveerden de eerste transporten met voornamelijk ouderen uit het Altreich en de Ostmark (Oostenrijk) in het getto. Hierdoor steeg de gemiddelde leeftijd van de gevangenen, in juli was bijna 45% ouder dan 65. Op 16 september 1942 bereikte het aantal gevangenen zijn historisch hoogtepunt, 58.491 en die dag ook het hoogste sterftecijfer, 3.941.
Kuuroord
Duitse en Oostenrijkse joden hadden te horen gekregen dat deportatie naar Theresienstadt een privilege was. Het heette een modelnederzetting te zijn met joods zelfbeheer. In kuuroord en badplaats ‘Theresienbad’ zou voor alles gezorgd worden, geld had men er niet nodig. Iedereen kon met een gerust hart zijn vermogen (waardepapieren, bankbiljetten, hypotheken) afstaan aan de Reichsvereinigung der Juden in Deutschland, afdeling voorzorg. Voor ze naar Reichsaltersheim Theresienstadt (‘Rijkstehuis voor bejaarden’) vertrokken, kregen ze een Heimeinkaufvertrag, een frauduleus woonst-inkoopcontract, voorgelegd ter ondertekening.
Heinrich Köhler (°1869) woonde in 1942 in een overvol bejaardentehuis in Kassel. Op 7 september 1942 werden alle bewoners naar Theresienstadt overgebracht. Kort voordien had ook Köhler een ‘koopcontract’ voor ‘gemeenschappelijke huisvesting’ moeten onderschrijven en de hem resterende 649,48 Reichsmark moeten afstaan. In ruil kreeg hij levenslang ‘onderdak, voedsel, medische zorg, medicatie en eventuele ziekenhuisopname’. Op 29 september, drie weken na zijn aankomst in Theresienstadt, werd Köhler naar vernietigingskamp Treblinka gedeporteerd.

Nogal wat oude Duitse en Oostenrijkse joden hoopten op een rustige levensavond in ‘Bad Theresienstadt’. Ze brachten hun hoge hoeden, jacquets, kanten jurken en parasols mee, om vervolgens snel op vuile zolders en in ondergrondse cellen terecht te komen, waar velen stierven door de schok, longontsteking, diarree en honger. Het individuele leed, de vertwijfeling over deze misleiding na een leven als joods-Duitse patriot en geacht burger was immens.
De veertienjarige Helga Weissova, die al in december 1941 in Theresienstadt was gearriveerd, maakte in 1943 een tekening van drie voorname dames die aanschuiven bij een grote ton met daarin iets dat soep moest voorstellen. Eind jaren 1990 becommentarieerde Weissova het tafereel: ‘Oude mensen wachten in de rij op hun avondetenrantsoen. De tragikomische figuren van mensen uit Duitsland, die naïef de beloften geloofden dat ze naar een kuuroord werden gestuurd. Ze betaalden zelfs vooraf voor goede accommodaties voordat ze vertrokken. Na hun aankomst in Theresienstadt waren ze niet in staat om de situatie te begrijpen. Ze dachten dat ze het slachtoffer waren van een fout. ‘Als onze Führer het eens wist’, zeiden ze verbijsterd. De dames arriveerden in handschoenen en mutsen. Ze hadden geen praktische kleding bij zich, zelfs geen schaal en lepel. De hoeden op de hoofden van oude vrouwen waren een trieste herinnering aan vervlogen tijden. Ze maakten een belachelijke indruk, ook al was de werkelijkheid uiterst ernstig (Weissová, 72). ‘Ook aan de pomp zijn de zielige oude Duitse joden te zien. In plaats van de tuinen van het kuuroord die ze verwachtten te bezoeken, bevonden ze zich in vuile binnenplaatsen maar wel met waterpomp’ (Weissová, 74-75).

Statusverlies
Bij aankomst in het getto werden nieuwkomers geconfronteerd met andere sociale standaarden, waarden en normen. De vroegere sociale klasse deed er niet meer toe. Gevangenen uit hogere kringen probeerden het verlies enigszins te compenseren door zich op vroegere prestaties en posities te beroepen. Zonder functie in het getto, probeerden ze zich staande te houden door hun kernwaarden te beklemtonen en te etaleren: goede manieren, een verzorgd uiterlijk, voornaam gedrag. Gedistingeerde mensen die zich onderscheiden, distingeren van mensen met minder klasse, de lagere sociale klasse. Gewezen bankiers, advocaten, ambtenaren, professoren, artsen, journalisten… hingen illustere verhalen op over hun glorierijk verleden. Ze zochten elkaar op, bekrachtigden elkaars waarde en status.
In het meesterlijke The Last Ghetto (2024), een dagelijkse geschiedenis van Theresienstadt, verwijst geschiedkundige Anna Hájková naar een veelzeggende grap die in het getto circuleerde: ‘Een teckel in Terezín zegt: vroeger was ik een Sint-Bernard in Praag’. Voor deze anekdote baseert de historica zich op Megalomania in Theresienstadt, een getuigenis van Emil Blum uit 1957. De man heeft het over de neiging van sommige gettobewoners om op te scheppen en te liegen over vroegere rijkdom, sociale positie, invloed etc…. ‘Megalomanie’, schrijft Blum, ‘was alledaags in Theresienstadt, naast de duizenden die hun lot met waardigheid en stoïcisme tegemoet gingen. De plaats zat vol gouverneurs, fabrikanten, ingenieurs, professoren, directeuren en miljonairs. Ook vrouwen spraken over prachtige appartementen en de enorme tapijten die ze ooit hadden’.
Blum noemt twee gevangenen bij naam die zich als baron voordeden. Ze pochten over hun vele verdiensten en de belangrijke mensen die ze gekend hadden. Eén van hen beweerde dat hij bij het gevolg hoorde van de Oostenrijkse bondskanselier Kurt von Schuschnigg toen die in 1938 door Hitler werd ontboden om van hem de aansluiting van Oostenrijk bij het groot-Duitse Rijk te eisen. Von Schuschnigg gaf geen krimp, maar moest later onder bedreigingen aftreden en kort nadien was de Anschluss een feit.
De andere pseudo-baron beweerde ook ingenieur en generaal te zijn. Toen hij in 1943 in Theresienstadt arriveerde kreeg hij dan ook de status van ‘prominent’ met alle daaraan verbonden voordelen die overleving ten goede kwamen. De man pronkte met zijn militaire onderscheidingen en Blum sprak hem eerbiedig met ‘baron’ aan. Drie medegevangenen, voormalige officieren van het Oostenrijks leger, legden tegen deze ‘charlatan’ klacht neer bij het joodse zelfbeheer. De man was ingenieur noch generaal, verloor zijn status als prominent, maar overleefde wel de oorlog. ‘Na het einde van de oorlog’, schrijft Blum in dit verband ‘deed een grap de ronde over twee teckels die elkaar ontmoeten in Theresienstadt. Wat was jij vroeger?, vraagt de ene. Een sint-bernard, antwoordt de ander.’
Of deze galgenhumor al in het getto de ronde deed, volgt niet uit Blums getuigenis. Zeker is dat de bittere grap in 1943 in kringen van joodse immigranten in New York rondging. Hannah Arendt heeft het erover in We Refugees, een artikel dat ze schreef na tien jaar ervaring als immigrant (vanaf 1933 in Frankrijk, vanaf 1941 in de Verenigde Staten). Joodse inwijkelingen werden veelal als schooiers en bedelaars beschouwd en behandeld. Daaruit leidde Arendt af dat doctor in de filosofie zijn niet langer volstond. ‘Om een nieuw leven op te bouwen’, leerden immigranten, ‘moet je eerst het oude verbeteren. Er werd een leuk sprookje bedacht om ons gedrag te beschrijven; een verloren emigrantenteckel begint in zijn verdriet te spreken: ‘Ooit, toen ik een sint-bernard was’.
‘Onze nieuwe vrienden [Noord-Amerikanen] zijn nogal overweldigd door zoveel sterren en beroemde mannen, begrijpen ternauwernood dat aan de basis van al onze beschrijvingen van vroegere pracht één menselijke waarheid ligt: ooit waren we iemand om wie mensen gaven, werden we geliefd door vrienden, en stonden we bij verhuurders bekend als mensen die regelmatig de huur betaalden.’ Maar met het nationaalsocialisme begonnen discriminatie en vervolging. Joden mochten bepaalde beroepen niet meer uitoefenen, mochten geen gebruik maken van openbaar vervoer, kregen almaar minder rechten, waren op veel plaatsen niet meer welkom, ‘ook al deden ze zo hun best om niet te verraden dat ze tot een volk behoorden dat door Hitler werd gehaat’. ‘Onder dergelijke omstandigheden’, vervolgt Arendt, ‘wordt de sint-bernard almaar groter. Ik zal nooit die jongeman vergeten die na talloze sollicitaties, diep zuchtte en zei dat ze niet beseften met wie ze te maken hadden, hij was afdelingshoofd geweest in een befaamd Berlijns grootwarenhuis. En dan de diepe wanhoop van een man van middelbare leeftijd die na raadpleging van veel hulpcomités, uitriep dat niemand wist wie hij was en, omdat niemand hem als een waardig mens behandelde, telegrammen begon te sturen naar grote persoonlijkheden en grote familieleden’.
Dit stukje zwarte humor, waarin men de draak steekt met de eigen hachelijke situatie, is gezien het statusverlies van veel joden in de loop der eeuwen, mogelijk van joodse origine, een Witz. De vergelijking tussen één van de kleinste en één van de grootste hondenrassen sprak al langer tot de verbeelding, getuige de vele afbeeldingen en foto’s van de confrontatie tussen beide viervoeters.


Een mooier, vollediger exemplaar uit 1906 kreeg een legende mee: The right of way (Het recht op doorgang).


Fraai
Theresienstadt werd nog herhaaldelijk als alibi gebruikt. Onder meer om het ‘internationaal’ comité dat op 23 juni 1944 het getto inspecteerde om de tuin te leiden. In de voorafgaande maanden hadden talloze gevangenen een Potemkindorp moeten optrekken, een schijnvertoning van façades langs de route die het comité zou moeten volgen. Tijdens het inspectiebezoek week niemand van die route af en ze rapporteerden over wat bijna een modelgetto leek. Kort nadien werd van de stadsverfraaiing gebruik gemaakt om een propagandafilm te draaien waarvan een dertigtal minuten bewaard gebleven zijn.


Weise, Anne – Alfred Bergel. Skizzen aus einem vergessenen Leben. Wien / Theresienstadt / Auschwitz, Stuttgart, Freies Geistesleben, 2014
Overeenkomsten met hedendaagse gebeurtenissen en wereldproblemen zijn uiteraard volkomen toevallig.
Dit alles zal uitgebreid belicht worden in Alibi Theresienstadt, een veelomvattende studie waaraan ik al enkele jaren werk en die hopelijk in 2027 gepubliceerd zal worden.
