De groene ruÔnes van IsraŽl

Veel Israëli's brengen hun vrije tijd door in de van alle faciliteiten voorziene nationale parken en bossen, aangelegd door het Jewish National Fund. Een organisatie die in 1901 op het vijfde zionistisch congres werd opgericht om Palestijnse grond in te palmen. Na de stichting van de joodse staat legde het JNF zich toe op grondontginning en de aanplant van bomen, nu al ruim 240 miljoen. Op de website van deze "liefdadige instelling" (www.jnf.org) kun je tegen betaling een boom planten in Israël die naar jou wordt vernoemd. Koop je er meerdere tegelijk, dan krijg je vermindering.

Het Joods Nationaal Fonds beroept er zich op de woestijn tot bloei te brengen en met zijn groene longen Israël en de wereld van adem te voorzien. Onvermeld blijft dat veel van die zionistische bossen en nationale parken neergepoot werden op de ruïnes van Palestijnse dorpen, met de grond gelijk gemaakt tijdens de zogenaamde onafhankelijkheidsoorlog van Israël (1947-48) en de zesdaagse oorlog. Take pride in our past and be part of our future , luidt het op de homepage van het Jewish National Fund. Maar veel JNF-recreatieoorden dekken een verleden toe dat ook in de politiek en de officiële geschiedschrijving mordicus ontkend wordt: de etnische zuivering van Palestina. Ilan Pappé, één van toonaangevende Israëlische 'nieuwe historici', schreef hierover een onthutsend boek dat nu ook in het Nederlands voorligt.

Pappé zet een volgende stap in de ontmythologisering van de ontstaansgeschiedenis van Israël. De overgrote meerderheid van de circa 750.000 Palestijnen die bij de stichting van de joodse staat huis en veld verlieten, deed dat niet uit vrije wil maar vluchtte uit angst, verdreven door joods geweld. En het was geen neveneffect van de oorlog maar een doelbewuste etnische zuivering.

Die misdaad tegen de menselijkheid werd volgens Pappé eind 19de eeuw al door zionisten ingecalculeerd. Echt hard maakt hij dat niet, maar wel dat David Ben-Goerion, de politieke leider van de joodse gemeenschap in Palestina (en de latere eerste premier van Israël), vanaf 1937 opteerde voor massale verdrijving van Palestijnen. Hij werkte daartoe, samen met een klein raadgevend comité van ultrazionisten en militairen, verscheidene plannen uit. Op 10 maart 1948 vertrokken de bevelen naar de joodse brigades. Elke eenheid kreeg een lijst van doelwitten waaruit zoveel mogelijk Arabieren verjaagd moesten worden. Joodse krijgers schoten in het rond, dynamiteerden, verkrachtten en moordden naar hartenlust. De helft van de inheemse bevolking werd verjaagd, meer ­dan vijfhonderd Palestijnse dorpen en elf stedelijke gemeenschappen werden verwoest om elke vorm van terugkeer onmogelijk te maken.

Bron van al dit kwaad en alle sindsdien in het Midden-Oosten gestichte kwaad, is de pro-joodse houding van de grootmachten. In 1917 al, vijf jaar voor Groot-Brittannië Palestina kreeg toegewezen als mandaatgebied, beloofde de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Lord Balfour, in naam van zijn regering aan de zionistische beweging een nationaal joods tehuis in Palestina.

Dertig jaar later, toen Engeland zijn mandaat beëindigde, besloten de nog onervaren Verenigde Naties dat Palestina in moest worden opgedeeld. Alle Arabische landen stemden tegen. Maar resolutie 181 van de Algemene Vergadering willigde de meeste zionistische aanspraken in, zonder veel rekening te houden met de etnische samenstelling van de bevolking van Palestina. De joden, die minder dan zes procent van de grond bezaten en slechts één derde van de bevolking uitmaakten, kregen meer dan de helft van het grondgebied. Later zullen zionisten zelfrechtvaardigend beweren dat de Palestijnen dit aan zichzelf te danken hebben, ze hadden maar moeten meewerken aan de bevraging die voorafging aan de verdeling. Maar natuurlijk weigerden Palestijnen en Arabieren mee te werken met een koloniaal plan dat meer dan de helft van hun grond zomaar aan Europese indringers toewees.

In plaats van de gemoederen te kalmeren, voerde resolutie 181 de spanning tot oorlogsniveau op. Palestijnen en joden zaten nu in een dodelijk omhelzing gevangen. Moorden en terreur namen hand over hand toe.

Direct na het vertrek van de Britten, op 15 mei 1948, werd de joodse staat afgekondigd en meteen erkend door de grootmachten van dat moment. Palestijnen en Arabieren kwamen in het geweer. Dit verzet had niet zo veel voor te stellen. De oorlog was, anders dan de officiële Israëlische geschiedschrijving het wil, geen strijd tussen een joodse David en een Arabische Goliath. Toen al dreigden Arabische staten vooral met woorden. Uiteindelijk stuurden ze een contingent soldaten maar dat was niet opgewassen tegen de talrijkere, beter getrainde en beter bewapende joodse strijdkrachten. Bovendien hield het sterkste Arabische leger, dat van Jordanië, zich zoveel mogelijk afzijdig want koning Abdoellah had het op een akkoordje gegooid met de zionisten om Palestina onder hun tweetjes te verdelen. En inderdaad, na de oorlog annexeerde Jordanië vrij moeiteloos de Westelijke Jordaanoever.

Zionistische leiders, Ben-Goerion op kop, hadden het in het openbaar over een nakende tweede jodenuitroeiing, en schilderden Palestijnen en Arabieren constant als nazi's af. Maar in besloten kring wisten de zionisten dat de Arabische tegenstander militair zwak stond. En op het terrein hanteerden ze een tactiek van voldongen feiten door zoveel mogelijk Palestijnse dorpen te verwoesten. Alle door de VS, VN en enkele Arabische vertegenwoordigers gecreëerde kansen om van koers te veranderen werden zelfverzekerd afgewezen.

De beschaafde wereld, die zich meer met de van oorsprong Europese en blanke joden identificeerde (én identificeert) dan met de 'onbeschaafde' Arabieren, bleef de hele tijd toekijken. Daarmee gaf de internationale gemeenschap Israël te kennen dat er niets mis was met de etnische zuivering van Palestina en dat Israël tot 'de' beschaving bleef behoren. Een boodschap die is blijven weerklinken, ook al legde en legt Israël zo goed als alle resoluties en besluiten van die internationale gemeenschap naast zich neer.

Israël is een wereld op zijn kop. De Palestijnen, niet de joden, worden als immigranten gezien en behandeld. Zij worden terroristen genoemd, terwijl ze door joodse staatsterreur tot hun hopeloze daden gedreven worden. Alle onderhandelingen en vredesvoorstellen worden steevast voorgesteld als Israëlische concessies aan de Palestijnen, evenzovele bewijzen van joodse redelijkheid en flexibiliteit. Palestijnen daarentegen zouden niet voor rede vatbaar zijn. Maar ze hebben alle reden om de joodse en westerse voorstellen af te wijzen, aangezien die blijven voorbijgaan aan de kern van de zaak, met name de etnische zuivering van Palestina en het recht op terugkeer voor alle Palestijnen, een recht dat eind 1948 al door de internationale gemeenschap werd erkend (resolutie 194 van de VN).

De nakba (Arabisch voor catastrofe) en de vluchtelingenkwestie worden steevast uit de vredesagenda gebannen. Men doet alsof het Israëlisch-Palestijns conflict pas in 1967 is ontstaan en het dus zou volstaan de status te bepalen van de toen door Israël bezette Gazastrook en Westelijke Jordaanoever. De Israëlische ontkenning van de etnische zuivering, de volstrekte onwil om dit onrecht te erkennen en er juridisch, moreel en politiek rekenschap van af te leggen, dàt staat een vredevolle oplossing in de weg.

De joodse halsstarrigheid valt licht te begrijpen. Erkenning van de aan Palestijnen toegebrachte materiële en menselijke schade zal vragen opwerpen over de morele en politieke legitimiteit van de joodse staat, zijn mythologie en zelfbeeld.

De etnische zuivering van Palestina is geschiedenis op het scherp van de snee, met directe politieke relevantie. Pappé documenteert alles zorgvuldig en exhaustief. Nu en dan klinkt begrijpelijke verontwaardiging door en een enkele keer gaat hij uit de bocht, ook al omdat (onverstandige) vergelijkingen met wat Europese joden overkomen is bijna voor de hand liggen. Pappé toont zijn stelling dat de etnische zuivering lang tevoren gepland was niet sluitend aan. Zijn herhaalde bewering dat Europa de joden met Israël wou compenseren voor de holocaust, is onjuist. In 1917 al, toen het zionisme amper twintig jaar was, beloofde de internationale gemeenschap bij monde van Groot-Brittannië de joden een thuisland in Palestina.

Pappé's boek wordt mooi aangevuld door Israël, een onherstelbare vergissing . In dit kort en krachtig, vlot geschreven essay zet de Nederlandse historicus Chris van der Heijden de hele ontstaansgeschiedenis van zionisme tot Israël en Midden-Oostenproblematiek kritisch op een rij. Hoe summier ook, het boekje is uitstekend gedocumenteerd en werpt veel vragen op die - gelukkig maar - vaak voor discussie vatbaar zijn.

Beide auteurs zijn het roerend eens dat de al meer dan zestig jaar durende 'crisis' in het Midden-Oosten maar opgelost kan worden als Israël de aan Palestijnen toegebrachte schade erkent en ze op een of andere manier herstelt.

Ilan Pappe - De etnische zuivering van Palestina, Kampen/Leuven, Omniboek/Davidsfonds,2008
Chris van der Heijden - Israël. Een onherstelbare vergissing, Amsterdam/Antwerpen, Contact, 2008

Verschenen in De Standaard der Letteren 26 september 2008