Voor de afgrond | Joden op drift

Bij Radetzkymars zullen de meesten aan het populaire muziekstuk denken dat Johann Strauss (vader) in 1848 aan de Oostenrijks-Hongaarse veldmaarschalk Radetzky opdroeg, en niet aan de gelijknamige roman uit 1932 van Joseph Roth (1894-1939). Daarin beschrijft deze Oostenrijks-Hongaars joodse auteur aan de hand van een familiegeschiedenis de teloorgang van de Habsburgers. De ondergang van die Oostenrijks-Hongaarse monarchie betekende voor Roth het verlies van zijn vaderland en dat kleurde zijn journalistieke en literaire werk.

Dat valt ook af te lezen aan het in 1927 gepubliceerde en nu integraal in het Nederlands beschikbare Joden op drift. Al noemde Roth zichzelf toen nog socialist, de monarchist en legitimist in hem staken al sterk de kop op. Maar Juden auf Wanderschaft is toch in de eerste plaats een liefdevolle, ironisch-kritische ode aan het Ostjudentum, waarin Roth beschrijft hoe de Ostjuden door onderdrukking en ellende op de vlucht gedreven werden richting westen, en hoe het hen daar verging. Een beeld dus van de wereld van de Ostjuden, zes jaar voor de nazi’s aan de macht kwamen, twaalf jaar voor ze in nazi-getto’s gepropt werden, veertien jaar voor de Endlösung begon, met als grootste slachtoffers de Ostjuden en de menselijkheid.

OSTJUDEN

Joden op drift is een juweeltje, ook in Nederlandse vertaling. Alleen jammer dat Ostjuden stelselmatig vertaald wordt als ‘Oost-Europese joden’. Dat leest niet alleen minder vlot, de betekenis van het rond 1900 ingevoerde begrippenpaar Ostjuden-Westjuden gaat hierdoor verloren (bedacht door de naar het westen geëmigreerde Ostjude Nathan Birnbaum, die ook het begrip ‘zionisme’ muntte). Ostjuden en Westjuden lijken op het eerste gezicht geografische aanduidingen, maar in feite geeft het begrippenpaar de socioculturele, religieuze en taalkundige verschillen weer tussen enerzijds joden die in sjtetls leven, Jiddisch spreken en orthodox religieus zijn, en anderzijds geassimileerde, geürbaniseerde, ‘moderne’ joden (die vaak uit het oosten kwamen). In Duits-Oostenrijkse nationalistische en antisemitische kringen werd Ostjuden vrij snel een scheldwoord. Maar voor Roth was het, zoals hieronder nog zal blijken, een zeer positief begrip.

Roth maakt vanaf het begin duidelijk dat Juden auf Wanderschaft niet bedoeld is voor West-Europeanen die arme immigranten ‘uit angst voor besmettelijke ziektes laten opsluiten in barakken, waar een sociaal probleem wordt opgelost door de dood van velen’, maar wel voor westerlingen die aanvoelen dat – anders dan de populaire pers (dat ‘vunzigste product van het westelijke gedachtegoed’) stelt – uit het oosten niet alleen zakkenrollers komen, maar ‘grootse mensen en grootse ideeën’. Roth wilde het stereotiepe beeld bijstellen dat goedbedoelende westerse joden en niet-joden van de Ostjuden hadden, begrip bijbrengen voor hun ellendige bestaan.

Hij bewondert het rotsvaste godsvertrouwen van de Ostjuden, hun vrijpostige omgang met god, hun rituelen en uitbundige vreugde, hun muziek en zang. Buitenstaanders zien een hechte gemeenschap, maar in werkelijkheid bestrijden verschillende groepen elkaar om allerhande redenen:

van de bittere haat die aanhangers van een bepaalde wonderrabbi voelen voor die van een andere, en van de verachting die alle gelovige joden koesteren voor hun stambroeders die zich uiterlijk, in gewoontes en kledij aan hun christelijke omgeving hebben aangepast.

De orthodoxe jood, de ‘jood van God, haat de zionisten, die met belachelijke Europese middelen een jodendom tot stand willen brengen dat die naam niet meer verdient omdat het niet op de Messias gewacht heeft en niet op wat God hoe dan ook met de mens van plan is.’

Maar ook het beeld dat Ostjuden van het westen hebben, stemt niet met de werkelijkheid overeen. Ze hebben geen idee van de vooroordelen die ‘het gedrag, de moraal en de wereldbeschouwing van de doorsnee West-Europeaan’ beheersen. Het door kranten, boeken en optimistische emigranten voorgespiegelde paradijselijke westen bestaat niet. Het westen brengt geen vrijheid, werk of rechtvaardigheid. De nieuwkomers, ‘die ternauwernood aan de wurggreep van de concentratiekampen zijn ontsnapt’, worden er in de duisternis van ‘een ander, een ietwat hervormd maar niet minder gruwelijk getto’ opgenomen. Want ook bij het gastheervolk woekert de primitieve haat, wordt ‘een groot aantal vreemdelingen als gevaarlijk beschouwd.’

Maar wat moet de Ostjude, hij die alleen plichten en geen rechten heeft, werk en inkomen verliest? Wat moet je als je in smerige straten en bouwvallige huizen woont, wordt bedreigd door de christelijke buurman, geslagen door de baas, opgesloten door de ambtenaar, beschoten door de officier, afgeblaft door de hond? Kun je ook niet vluchten? Met de Grote Oorlog, de Russische Revolutie en het uiteenvallen van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie zwol het aantal vluchtelingen sterk aan, maar niemand kwam ‘naar hier om de pest te verspreiden’.

Voor Roth vertegenwoordigen de Ostjuden en hun cultuur het échte jodendom, zowel de orthodoxe chassidim, met hun God ‘die meer straft dan liefheeft’, als de ‘verlichte’ maar daarom niet ongelovige joden. De goed geassimileerde en geïntegreerde jood die Roth geworden is (met ‘hier’ en ‘wij’ verwijst hij steevast naar het westen), de sterreporter van grote westerse kranten en tijdschriften, moest niets meer hebben van assimilatie. Hij fulmineert tegen de westerse hypocrisie, tegen ‘de beteugelde wreedheid van de West-Europeaan, die zich afreageert in perversiteiten en de wet omzeilt, met zijn deftige hoed angstig in de hand.’ Hij gaat tekeer tegen de ‘dodelijke, steriele oppervlakkigheid van die beschaving’, die betaald wordt ‘met de quarantaine die wij de emigranten opleggen zonder te beseffen dat we zelf een leven lang in quarantaine doorbrengen en onze landen allemaal barakken en concentratiekampen zijn, zij het met het modernste comfort.’

BALLINGSCHAP

De Ostjuden die naar het westen emigreerden, hebben zichzelf opgegeven en verloren:

hun treurige schoonheid viel van hen af en liet op hun gekromde ruggen een stofgrijze laag achter van zinloze pijn en simpel verdriet. […] Ze pasten hun kledij aan, hun baarden, hun hoofdhaar, hun godsdienst, hun sabbat, hun huishoudens.

Ze hielden vast aan de traditie, maar die maakte zich van hen los. Hun god degradeerde tot ‘een soort abstracte natuurkracht’, hun gebed verwaterde tot formule. Ze sloten compromissen, gaven toe aan ‘de wantoestanden en misbruiken van het westen’. Ze vervielen tot assimilatie, maakten ‘gebruik van de trams, de liften en alle zegeningen van de vooruitgang’, ja, kregen zelfs een ‘vaderland’ waarvoor ze in oorlogstijd mochten sterven. Maar ‘de minachting bleef aan hen kleven – vroeger werden er slechts stenen naar hen gegooid.’

Met dit bittere zelfportret sluit Roth merkwaardig genoeg aan bij chassidim die vinden dat ‘iedere vorm van assimilatie, zelfs de geringste, een vlucht betekent of een poging tot vlucht uit de droevige gemeenschap der vervolgden; het is een poging tegenstellingen ongedaan te maken die er toch altijd zullen zijn.’ Ook het zionisme zegt Roth niets meer (hij woonde ooit een zionistisch congres bij). Terwijl geassimileerde joden hun jodendom ontkennen, pakken zionisten ermee uit, ze bekennen zich tot een joodse natie die in het verleden nooit bestaan heeft. Toen heel Europa om ‘nationale zelfbeschikking schreeuwde’, brulden de joden mee. Ook zij wilden een ‘geboortegrond’, een vaderland. En zo veranderden ze van mensen in ballingschap in een land in ballingschap. Ze hebben recht op Palestina ‘niet omdat het hun land van oorsprong is, maar omdat geen enkel ander land hen wil […] De emigratie van de jonge joden naar Palestina zal altijd iets van een joodse kruistocht hebben, omdat ze jammer genoeg ook schieten.’

GETTO’S

In Joden op drift besteedt Roth ook aandacht aan de getto’s in enkele grote westerse steden: Wenen, Berlijn en Parijs (Amsterdam en Brussel worden alleen terloops vermeld, Antwerpen helemaal niet). Wenen ging nog wel, al werden na de Grote Oorlog veel Ostjuden gerepatrieerd, soms onder dwang, en moesten joden die er een tiental jaar woonden ‘niet weten van nieuwe immigranten […] alweer iemand die geld wil verdienen, hier wil leven’. In Parijs daarentegen leefden Ostjuden zoals Roth als God in Frankrijk. Parijs is democratisch, rabiaat antisemitisme is er uit den boze. Roth heeft het gelukkig niet meer meegemaakt, maar midden 1942 was bezet ‘Parijs’ meer dan behulpzaam bij de eerste grote razzia en zette het de nazi’s onder druk om niet alleen joodse mannen en vrouwen te deporteren, maar ook hun kinderen. Wat moesten ze er anders mee?

Roth heeft geen goed woord over de Amerikaanse behandeling van joodse immigranten, behalve dat er in de Verenigde Staten ‘nog joodsere joden zijn, namelijk negers’. Een jood blijft ook daar maar een jood, maar toch in de eerste plaats een blanke; ‘voor het eerst speelt zijn ras in zijn voordeel’.

Over het lot van de joden in Sovjet-Rusland daarentegen, is Roth bijzonder positief. Dankzij het communisme is de tijd van het zionisme, antisemitisme ‘en misschien ook die van het jodendom’ voorbij. Roth moet in 1927 niet geweten hebben dat tien jaar voordien zestig procent van de Russische joden zionistisch stemde bij de verkiezingen voor het Russische congres, en dat toen Stalin eind 1927 alleenheerser werd, het antizionistische plan werd goedgekeurd om de Russische joden een thuisland op te dringen in het onherbergzame Siberië (provincie Birobidzhan), met de bedoeling hen geografisch en spiritueel af te snijden van Palestina, een plan dat in 1934 in werking trad maar geen succes werd. [1]

STRAFKOLONIE DUITSLAND

Uit het nawoord dat Roth in 1937 schreef voor een geplande heruitgave van Juden auf Wanderschaft, blijkt dat hij toen vermoedde dat de situatie van de joden in Sovjet-Rusland veranderd was. Voor die niet gerealiseerde heruitgave schreef hij ook een ‘tweede voorwoord’, en wel over de joden in Duitsland. Duitsers staan er, schreef hij in 1937, nog slechter voor dan de Ostjuden. Duitsland is de strafkolonie van de joden. Van de ‘zeshonderdduizend Duitse joden zijn er zo’n honderdduizend uitgeweken, maar ze zijn ‘het trekken verleerd, net zoals het lijden en het bedelen.’ Hij weet niet of de in Duitsland gebleven joden dood of levend zijn. Zeker is alleen dat de wereld ‘niet grondig geholpen heeft; niet eens in zijn eigen belang’. Dat terwijl in het hoogbeschaafde Europa verenigingen voor dierenbescherming elk jaar opnieuw ‘een vliegreisje naar het zuiden organiseren’ voor achtergebleven trekvogels. Vijfduizend gevangen zwaluwen worden in kooien naar Italië gevlogen. Maar een vereniging ‘tot bescherming van mensen die onze soortgenoten zonder paspoort en zonder visum naar het land brengt waar ze graag willen zijn’, die bestaat niet. Voelen mensen zich meer verbonden met dieren dan met medemensen?

Duitse joden ‘verdienen consideratie, maar geen blindheid’. In plaats van zich teweer te stellen, reageren ze koudbloedig op ‘de meest perfide schanddaden’. Ze zwijgen en leven verder. Hun vermogen elke vernedering te verdragen ‘is hun grootste ongeluk’. Ze hadden, schrijft Roth in 1937, onmiddellijk en massaal nazi-Duitsland de rug moeten toekeren. Roths betrokkenheid speelt hem parten; hij wist maar al te goed dat joden toen minder dan ooit welkom waren in een wereld die ‘zijn geweten kwijt was’.

Roth zelf had Duitsland de rug toegekeerd op 30 januari 1933, de dag dat Adolf Hitler Rijkskanselier werd. Hij schreef toen aan Stefan Zweig dat ‘ons [schrijvers] grote catastrofen te wachten staan […] Men is er in geslaagd de barbarij te laten regeren. Maak u geen illusie. De hel regeert’.

ANTICHRIST

Al in 1928 had een bewerking van Juden auf Wanderschaft moeten verschijnen onder de titel Die Juden und ihre Antisemiten (joodse antisemieten, ‘gearriveerde’ assimilanten), maar het boek is er nooit gekomen. Roth liet zijn contract bij Allert de Lange in Amsterdam veranderen en leverde in 1934 Der Antichrist op. Roths antichrist is de moderniteit, geldzucht en vooruitgangsdrift, met als bron van alle kwaad de massamedia, Hollywood, die ‘schaduwfabriek’ waar mensen heen gaan om hun ziel te verkopen voor droom en faam. Aan het eind van Der Antichristaanschouwt Roth zichzelf op het witte doek. Het beeld berooft hem van zijn schaduw en authenticiteit en dus verlaat hij het toneel. [2]

Roth was er toen door alcohol en paranoia bijzonder slecht aan toe. Zweig, met wie Roth in exilstad Oostende bevriend raakte, smeekte hem te kalmeren. ‘Ze stelen je schaduw niet’, schreef hij hem, ‘jij maakt jezelf tot een schaduw, een vale schaduw van jezelf, door te drinken’, stop ermee! [3] Zo’n drie maanden voor de nieuwe wereldoorlog losbarstte, overleed Roth in een Parijs armenhospitaal.

In Joden op drift heeft Roth het over de ‘pesterijen [‘gruwelen’ in de Nederlandse vertaling] in concentratiekampen waar joden in Duitsland ternauwernood aan ontsnapt zijn’. Maar in 1927 waren er geen concentratiekampen in Duitsland, die kwamen er pas, zij het wel onmiddellijk, nadat de nationaalsocialisten in 1933 aan de macht geholpen waren. Mogelijk dacht Roth aan de Britse concentratiekampen tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) in Zuid-Afrika, vreesde of voorzag hij dat die er ook in Duitsland en Oostenrijk zouden komen.

In zijn tweede voorwoord uit 1937, over de joden in Duitsland, komt het begrip concentratiekamp maar één keer terloops voor. Dat terwijl die kampen toen al wereldwijd berucht waren, zij het dat joden er toen nog niet als jood in terechtkwamen maar alleen in andere gevangenencategorieën, voornamelijk als politieke tegenstander (dat veranderde na de Reichskristallnacht in november 1938, toen bijna dertigduizend joden werden opgesloten om het buitenland onder druk te zetten om meer joden op te nemen).

Als magere troost voor het tragische lot van de Ostjuden zegt Roth dat ze niet mogen ‘vergeten dat niets in deze wereld bestendig is, ook het vaderland niet; en dat ons leven kort is, nog korter dan het leven van de olifanten, de krokodillen en de raven. Zelfs papegaaien overleven ons.’ Het moge ondertussen duidelijk zijn dat het lot van vluchtelingen helaas vrij bestendig is.

Noten

[1] Zie verder: Richard Pipes, ‘The Sad Fate of Birobidzhan’, The New York Review of Books, 27 oktober 2016, p. 66-67.
[2] Zie verder: Ilse Josepha Lazaroms, The Grace of Misery. Joseph Roth and the Politics of Exile, 1919-1939, Leiden/Boston, Brill, 2013.
[3] Zie verder: Michael Hofmann (ed.), Joseph Roth. A Life in Letters, New York/Londen, Norton, 2012.

Besprekingsessay over Joden op drift van Joseph Roth (vert. Els Snick), Amsterdam, Bas Lubberhuizen, 2016, 141 p. - ISBN 9789059374614

gepubliceerd op Knack.be (18.11.2016), De Reactor (27.11.2016) en De Geus, mei 2017