Vergelding en repressie (5) | 'Limburg alleen, Limburg alleen, daar gaat niets boven, zo is't er maar n'

In Limburg liepen de aanslagen, represailles, terreur en contraterreur de spuigaten uit. Het verzet bracht er in totaal drieënnegentig collaborateurs om het leven. Collaborateurs en Duitsers van hun kant vermoordden vierentachtig verzetslui, vijfhonderd werden weggevoerd naar de concentratiekampen, honderdzeventig overleefden dat niet. De Wilde wijdt twee uitzendingen aan het ontstaan en de ontwikkeling van de Limburgse geweldspiraal. Hoewel wat langdradig, met gewoontegetrouw een opeenhoping van namen en data, zijn ze zeker de moeite waard. En daar is de bijdrage van Jos Bouveroux, auteur van 'Terreur in oorlogstijd - Het Limburgse drama' (Antwerpen/Amsterdam, 1985), zeker niet vreemd aan. Bouveroux zet alles helder op een rijtje, hij dráágt de uitzending. De Wilde illustreert zijn betoog met getuigenissen van gewezen collaborateurs en verzetslui. De bindteksten die De Wilde in 'De tijd der vergelding' voordraagt zijn overigens woordelijk terug te vinden in 'Lexicon. De tijd der vergelding' (BRT-Instructieve omroep, 1988) van de hand van Philippe Van Meerbeeck en Etienne Verhoeyen.

Een van de belangrijkste oorzaken van de escalatie in Limburg was dat het Vlaams Nationaal Verbond er sterker vertegenwoordigd was dan in de rest van Vlaanderen. Al voor de oorlog bracht een kwart van de kiezers zijn stem uit op deze Nieuwe Orde-partij. Gedurende de oorlog was uiteindelijk één op drie Limburgse burgemeesters VNV'er, en ook de ambtenarij en politiediensten waren sterk geïnfiltreerd. De moorddadigheid van de terreur heeft ook te maken met de geringe intellectuele en politieke scholing van de Limburgse verzetsstrijders. In deze uitgesproken katholieke provincie waren maar weinig socialisten en communisten, en daardoor was er in het begin van de oorlog een nijpend tekort aan kaders die leiding konden geven. De geringe linkse aanwezigheid verklaart ook dat het in Limburg, anders dan in de rest van het land, tot in 1943 vrij rustig bleef. Maar toen brak de hel los.

Een andere belangrijke oorzaak was de verstrengeling van gewapend verzet en banditisme (het mag wel eens onderstreept worden dat bij de collaborateurs natuurlijk behoorlijk wat bandieten zaten). Tijdens de oorlog opereerden in Limburg een zestal dieven- en roversbenden die bijzonder gewelddadige overvallen en moorden pleegden, gemiddeld zo'n tien per dag. Deze criminelen deden zich meer dan eens als verzetslui voor en er waren ook echte verzetslui bij betrokken. Nog van belang was de uitgestrektheid en het uitgesproken agrarisch karakter van deze provincie. Talloze geïsoleerde dorpjes waar familiale en persoonlijke vetes hoog oplaaiden en oude rekeningen werden vereffend onder de dekmantel van de oorlog. Wraak was meer dan eens het motief om bij de partizanen aan te sluiten.

Vendetta

Het verhaal van Remi Nulens, die in beide uitzendingen uitgebreid aan het woord komt, is kenmerkend. Twee van zijn broers doodden in maart 1943 een rijkswachter met Nieuwe Orde-sympathieën toen die hen op heterdaad bij het smokkelen betrapte. De broers werden in april gefusilleerd. De twee overblijvende broers, Remi en Jozef, doken onder en sloten zich in augustus 1943 bij de partizanen aan. Met slechts één doel voor ogen: wraak, "onverbiddelijk, zonder genade". In mei 1944, daags na de aanhouding van een echtgenote en zuster, brachten ze de broer van de eerder vermoorde rijkswachter om het leven. De partizanenleiding tikte hen op de vingers omdat ze zich al te zeer door persoonlijke motieven lieten leiden. Remi Nulens mocht geen acties meer uitvoeren. Maar hij kon het niet laten, "hij kreeg z'n koleire niet gedempt", wou "al die vuiligheid" opruimen. De Wilde doet hem zeggen dat hij een zestigtal collaborateurs heeft vermoord. Of dit cijfer op serieus onderzoek is gebaseerd, wordt niet duidelijk gemaakt. Nochtans is dat niet van belang ontbloot, dat zou immers betekenen dat Remi Nulens, niet direct een regulier verzetsstrijder, twee derde van de in Limburg gedode zwarten voor zijn rekening zou hebben genomen. Dat zou een totaal ander licht werpen op het gewapend Limburgs verzet. Meer wraak dan verzet.

Spijt en wroeging kent Nulens niet, behalve misschien dat hij er te weinig heeft gedood. Hij is "versteend van wrok". Zijn vrouw voegt eraan toe dat ze "het meest afgezien hebben van de zwarten", "het zijn de echte Duitsers niet geweest, maar de zwarten", ze zullen ze "haten zolang ze leven". Vergelijk met wat Louis Van Brussel, nationaal commandant van de gewapende partizanen, in een eerdere uitzending zei: "het zijn niet de Duitsers die ons de meeste verliezen hebben toegebracht, maar de verklikkers, verraders die hun eigen volk de dolksteek in de rug hebben gegeven". Meer burgeroorlog dan oorlog.

Wettige zelfverdediging?

Van mei tot december 1943 werden tweeëntwintig Limburgse VNV'ers gedood. In VNV-rangen groeide de onrust en werd aangedrongen op serieuze tegenmaatregelen. De VNV-leiding wou de eigen verweerformaties, de Dietsche Militie-Zwarte Brigade, inzetten tegen de terroristen. De Duitsers willigden dit verzoek niet in, ze vreesden dat het inzetten van Vlamingen "de haat van de tegenstanders nog zou verscherpen" en dat ze (de collaborateurs) daardoor "nog meer blootgesteld zouden worden aan politieke aanslagen". Waarop de Limburgse VNV-leiding antwoordde dat "in de streken waar de terreur werkelijk scherp heerscht, bij kwaadwilligen de haat en de vijandschap tegen onze kampgenooten zoo groot en algemeen is, dat de inzet van onze leden of weerformaties deze toestand nauwelijks nog kan verergeren". Men was verbitterd, gouwleider Theo Brouns vroeg zich af of de collaboratie wel voortgezet moest worden, anderen namen ontslag of stapten over naar de radicalere DeVlag. Begin 1944 werd Max Günther ingezet, een berucht agent van de Sicherheitsdienst (Gestapo in de volksmond). Zijn vergeldingsacties richtten een ravage aan onder de partizanen. Vele kopstukken sloegen door, het Limburgs verzet werd bijna opgerold. Op 11 april 1944 werden vierentwintig partizanen terechtgesteld om de Limburgers voorgoed af te schrikken. Maar dat werkte averechts, gaf alleen maar nieuw voedsel aan de haat- en wraakgevoelens.

Toen op 18 juli 1944 Anton Ariën, burgemeester van Tessenderlo en de nummer twee van het VNV in Limburg, werd doodgeschoten was ook voor de nationale VNV-leiding de maat vol. Twee maand voor de bevrijding koos ze principieel voor tegenterreur. Een vijftigtal Zwarte Brigademannen meldden zich als vrijwilligers aan voor wat een van hen veertig jaar later "wettige zelfverdediging" noemt. Hun inzet haalde weinig uit, het bleef aanslagen regenen.

VNV-leider Hendrik Elias ontliep na de oorlog zijn verantwoordelijkheid, hij wentelde alles af op ondergeschikten en distantieerde zich uitdrukkelijk van "de Limburgse bandieten". Maar destijds hadden ze wel zijn goedkeuring, zoals bijvoorbeeld moge blijken uit volgende passus uit een toespraak die hij op 23 januari 1944 te Hasselt hield: "Gij kent mij allen voldoende om te weten dat, indien er kameraden zijn geweest die naar het wapen hebben gegrepen om bij de ontstentenis van het landsgerecht zelf recht te doen, zij bij mij geen afkeuring of geen afstraffing vinden".

Tien jaar geleden antwoordde De Wilde op de vraag of het nog zin had al dit leed opnieuw op te rakelen, dat hij niet geloofde dat de getoonde feiten en namen in de bewuste dorpen nog werkelijk passies zouden losmaken, "het is meer dan veertig jaar geleden en voor jongeren al de tijd van Napoleon". Enkele weken later zei hij in een ander kranteninterview, naar aanleiding van de Limburgse terreur, dat "de tijd der verzoening nog niet aangebroken was".

Beide uitzendingen bevatten beklijvende, ontroerende en emotionele getuigenissen. Onder andere die van de zoons van een vermoorde VNV'er. Eén van hen kijkt als volgt op het gebeurde terug: "een aantal mensen die in de kijker liepen, die dus een mening hadden die niet conform was met die van de meerderheid, dat zeer zeker, dat was genoeg om in bepaalde dorpen hier, want de mentaliteit was daar niet precies progressief, dat was genoeg om een doodvonnis te krijgen". Het VNV als progressieve partij. Ze wilde in elk geval vooruit, maar over de richting en de aangewende middelen valt te discussiëren. Veel hangt af van je betrokkenheid, de bril waardoor je kijkt. Neem bijvoorbeeld de kleur zwart. Als zelfstandig naamwoord is het in België een scheldnaam voor collaborateurs. Maar zwart was voor fascisten geen oneer, integendeel. Ze tooiden zich bij voorkeur in het zwart, de kleur van de dood. Dat hadden ze afgekeken van de 'arditi' (onverschrokkenen), een soort Italiaanse paracommando's die in de eerste wereldoorlog gevaarlijke en moorddadige acties uitvoerden, veelal 's nachts en daarom volledig in het zwart gehuld. Belgen die met de vijand heulden en soms z'n zwarte uniformen naäapten, werden zwarten genoemd, de vijand zelf niet.                                          

Gepubliceerd in Telepro, september 1998