Tijd heelt niet alle wonden | Over Jean Amry

Op 18 januari 1964, enkele weken nadat in Frankfurt am Main het Auschwitzproces was begonnen, het grootste Duitse proces tegen nazi-misdadigers, schreef de toen vrijwel onbekende Auschwitz-overlevende Jean Améry naar de Süddeutsche Rundfunk. Of ze geïnteresseerd waren in een "gereconstrueerd Auschwitzdagboek, beschouwingen over fundamentele existentiële problemen van het KZ-universum, meer in het bijzonder de reacties van een intellectueel".

Bijna twintig jaar had Améry gezwegen over zijn kampervaring en al die tijd ook geweigerd in Duitsland te publiceren. Maar nu, nu het daderland zich aarzelend leek te heroriënteren, door­brak hij zijn stilzwijgen. Zijn eerste essay, dat hij in augustus 1964 in een radiostudio voor een Duits publiek voorlas, werd op 19 oktober uitgezonden. In anderhalf jaar tijd zou hij de Duitsers nog vier keer geduren­de iets meer dan een uur toespreken, almaar confronterender en harder.

De essays werden in 1966 gebundeld onder de titel Jenseits von Schuld und Sühne. Bewältigungsversuche eines Überwältigten. Alleen in het woord vooraf wordt terloops herinnerd aan het verband met het Auschwitzproces. Sommigen hebben daarvan gemaakt dat Améry de pen opnam om tegen dat proces te protesteren, omdat het "dreigde te eindigen in lauwe, flauwe berusting" (Brouwers). Maar nuchter bekeken, leidde dit proces een positieve kentering in. Tot dan had de Bondsrepu­bliek zich bijzonder weinig moeite getroost om het verleden te verwerken of nazi's te vervolgen. De meeste nazi-misdaden waren al in 1955 verjaard en op 8 mei 1965 zou dat ook voor nazi-moorden gelden. Er was haast mee gemoeid als men nog iemand wou vervolgen. In 1958 werd onder binnen- en buitenlandse druk een Stelle zur Verfolgung der Nazi-Verbrechen opgericht in Ludwigsburg. Datzelfde jaar legde een Auschwitz-overlevende klacht neer tegen de beruchte Auschwitzbeul Wilhelm Boger die al die tijd in Duitsland onder zijn eigen naam een rustig leventje had geleid. Ook nu liet het Duitse gerecht de zaak aanslepen. Maar het Internationale Auschwitz Comité en het bureau in Ludwigsburg bleven druk uitoefenen tot het, meer dan vijf jaar later, tot een proces kwam tegen een twintigtal SS'ers van Auschwitz.

De media-aandacht was enorm. Zoals op het Eichmannproces, drie jaar voordien, werden ook nu veel getuigen gehoord. Het tijdperk van de getuigen was aangebroken. In deze context nam ook Améry het woord.

Améry's essays worden sedert hun bundeling als een afgerond geheel gelezen. Dat ze met grote tussenpozen werden geschreven raakte in vergetelheid. Navraag bij de Süddeutsche Rundfunk leerde dat tussen de eerste drie essays telkens meer dan een half jaar voorbijging. Ze werden los van het vervolg geschreven, zonder vooraf omlijnd doel. Veel werd maar gaandeweg duidelijk. Het was, met Améry's woorden, "een langzaam en bijzonder moeizaam Vorwärtstasten in het uitentreuren beken­de, dat tegelijk vreemd gebleven was". De lezer die hem wil vergezellen "moet hem dan ook door het donker, dat hij stap voor stap verhelderde, in hetzelfde ritme volgen". In elk essay graaft hij een volgende laag af van het slachtofferschap. Als een archeoloog keert hij in de tijd terug: Auschwitz, Breendonk, de verdrijving uit de heimat, de Neurenberger wetten die hem als jood definieerden.

Ook ik dacht aanvankelijk dat Améry zijn stem verhief tegen het Auschwitzproces, dat hij het direct afkeurde als een fouteVergangenheitsbewältigung. Maar dan moet hij toch bijzonder naïef geweest zijn, geloofd hebben dat enkele radiotoespraken daar iets aan konden veranderen. Overigens wijst niets er op dat Améry tegen het proces was. Waarom zou hij ook? Voor het eerst in de geschiedenis werden nazi-misdadigers door een Duits gerechtshof berecht, in naam van het Duitse volk!

Veel waarschijnlijker is, dat Améry wel iets van het proces verwachtte en als schrijver en getuige zijn steentje wou bijdragen. Het vonnis, dat op 20 augustus 1965 werd geveld, moet hem zwaar ontgoocheld hebben. Zes beschuldigden kregen levenslang, tien kwamen ervan af met gevangenisstraffen tussen drie en veertien jaar, drie werden vrijgesproken. Het kleine grut werd zwaarder gestraft dan de bonzen. Moorden zijn nu eenmaal concreter dan bevelen. De wereld reageerde geschokt.

Jenseits von Schuld und Sühne is een meesterwerk van introspectie, een indringend boek dat je nooit meer loslaat. Nooit tevoren werden de gevolgen van discriminatie, geweld en ont­menselijking zo diepgaand geanalyseerd. Van binnenuit, doch zonder zelfmedelijden. Niet om het leed en het slachtofferschap dikker in de verf te zetten, maar om ze duidelijk te maken aan jonge Duitsers. Dit unieke egodocument, zeker zo belangrijk als het werk van Primo Levi, werd nu eindelijk in het Vlaams vertaald.

Améry vertalen is geen sinecure. Leonard Nolens heeft goed werk geleverd. Maar enkele cruciale passages werden zo slecht vertaald dat Améry's betoog hier en daar toch de mist ingaat. Het boek wordt begeleid door het essay dat Jeroen Brouwers in 1994 over Améry schreef. Een mooi werkstuk, maar een veel te eenzijdige interpretatie, met tal van onjuistheden en fouten over Améry en zijn oeuvre. Hoog tijd dus voor diepgaander onderzoek, rechtzetting en herwaardering.

Jean Améry kwam op 31 oktober 1912 als Hans Chaim Maier ter wereld, in een geassimileerd joods gezin in Wenen. Zijn vader sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog. Hans begon op vrij jonge leeftijd te schrijven, zijn eerste verhaal verscheen in 1928 onder het 'pseudoniem' Hanns Mayer. Begin jaren dertig volgde hij aan de universiteit cursussen literatuur en filosofie, zij het niet op regelmatige basis, het gezin had het niet breed ge­noeg. Maier kluste als barpianist, loopjongen, kruier en hulpje in een boekenwinkel...

Zijn niet-joodse moeder voedde hem eerder katholiek dan joods op. Begin december 1933 verliet hij de joodse geloofsgemeenschap, vermoedelijk liet hij zich dopen. Misschien had dat iets te maken met de machtsgreep van Hitler begin dat jaar, misschien ook niet. Later zou Améry over Maier zeggen dat hij zich, zoals veel anderen, pas laat bewust werd van het nazisme en zijn jood-zijn. In Jenseits koppelt hij die bewust­wording aan de Neurenberger wetten van 1935. Ze is waarschijnlijk van nog vroegere datum. Maier verslond al in 1933 verscheidene jaargangen van de Weltbühne van Carl von Os­sietzky, de wereldberoemde pacifist die begin dat jaar in een concentratiekamp was opgesloten en twee jaar later de Nobel­prijs voor de vrede kreeg.

Dat Maier de tekenen aan de wand vrij snel zag, blijkt ook uit een jeugdroman die hij in 1934-35 schreef, Die Schiffbrüchigen. De protagonist Eugen Althager is een onmiskenbaar alter ego van de auteur. Ook hij is niet geïnteresseerd in zijn joodse afkomst, tot hij begin jaren dertig getuige is van een anti-semitische straatrel en een standpunt moet innemen. Als begin 1934 de socialistische revolutie in Oostenrijk voor zijn ogen wordt neergeknuppeld, "en met haar de vrijheid, menselijkheid en democratie", vlucht Althager - zoals Maier - in het logisch-positivisme van de Wiener Kreis. Maar er is geen ontko­men aan. Hij wordt om een of andere vrouwengeschiedenis door nazi-sympathisanten in elkaar geslagen. Althager slaat terug, lokt een duel uit. Zijn tegenstander, een anti-semitische student, wil eerst weten of hij wel Ariër is. Natürlich!, liegt Althager, anders mocht hij niet duelleren. Wie zich wil verzetten tegen het negatieve jodenbeeld moet verzwijgen dat hij jood is. Het kost Althager het leven. In deze jeugdroman komen bijna alle thema's aan bod die dertig jaar later inJenseits worden aangesneden en aan Améry's oorlogservaringen worden toegeschreven.

In november 1937 keerde Maier terug in de joodse geloofsgemeenschap om de maand daarop te huwen met een joodse. Enkele maanden later liet Oostenrijk zich door nazi-Duitsland aan­hechten. De nazi's stelden alles in het werk om de joden te verdrijven. Nog voor het begin van de oorlog emigreerden 150.000 Weense joden. Maier en zijn jonge bruid vluchtten in december 1938. Via een veelvuldig gebruikte route belandden ze in Antwerpen.

Toen de Duitsers België binnenvielen werden alle Duitsers, Oostenrijkers, Italianen en 'staatsvijandige' Belgen waarvan gevreesd werd dat ze een vijfde colonne zouden vormen, zonder opgave van reden gearresteerd en op transport gesteld naar Frankrijk. De overgrote meer­derheid waren politieke vluchtelingen, voornamelijk joden, bijna zesduizend. Maier kwam in zuid-Franse kampen terecht die eind jaren dertig waren opgericht voor vluchtelin­gen van de Spaanse Burgeroorlog. Hij vluchtte uit een rijdende trein, werd teruggegrepen en zat een jaar in Gurs. In juli 1941 nam hij weer de benen. Na een lange tocht door Frankrijk keerde hij bij zijn in Brussel ondergedoken vrouw terug.

Kort nadien werd hij lid van het Österreichischen Freiheitsfront, een kleine communistische verzetsbeweging, bestaande uit jonge Oostenrijkse en ook enkele Duitse emigranten. Ze maakten gebruik van hun kennis van het Duits om het moreel van Wehrmachtsoldaten te ondermijnen. In café's en aan kazernes papten de vrouwen, de Mädelgruppe, met soldaten aan. Ze tastten af wie voor kritiek openstond, probeerden hen te overhalen anti-Hitleriaanse pamfletten te verspreiden in de kazerne. De verzetsmannen strooi­den in Brussel en wijde omgeving pamfletten uit in de buurt van kazernes. Maier was samen met een jonge Duitse belast met het op­stellen en stencillen van de pamfletten. Op 23 juli 1943 werd hij onder zijn verzetsnaam Roger Lippens aangehouden.

Améry, bescheiden zoals steeds, deed later nogal geringschattend over dit verzet: ontzettend naïef, idioot, zonder resultaat. Een streng oordeel dat door velen klakkeloos werd overgenomen. De moed en inzet van deze jonge verzetslui mag niet onderschat wor­den. Als jood, vluchteling en arbeidsplich­tige stelden ze zich aan grote gevaren bloot. Bijna veertig van de omtrent vijftig leden werden gearresteerd; velen kwamen in KZ terecht, enkelen overleefden dat niet. Natuurlijk hebben ze de oorlog niet gekeerd, maar uit naoorlogse getuige­nissen van Wehrmachtsoldaten blijkt wel dat ze sommigen tot nadenken en medewerking hebben aangezet.

Na een kort verhoor op het Gestapohoofdkwartier aan de Louizalaan werdder Kommunist Lippens naar Breendonk overgebracht. Hij werd gefolterd en zat drie maand in Einzelhaft, vastgekluisterd in een isolatiecel. Zijn joodse identiteit kon hij maandenlang verborgen houden. Toen die begin november 1943 aan het licht kwam werd hij overgebracht naar het verzamelkamp in Mechelen om, zoals de Sicherheitsdienst over hem berichtte, abgeschobente worden.

Dat gebeurde op 15 januari 1944, met het drieëntwintigste konvooi van Mechelen naar Auschwitz. Meer dan vierhonderd van de 657 joden werden bij aankomst vergast. Dertig jaar later schreef Améry daarover in zijn roman-essay Lefeu oder Der Abbruch: "Vlammen waren er niet te zien, alleen zwartige rook die zich een weg baande uit schouwen, en graven groef in de hemel. Hemel! ik kan niet loskomen van de opgekropte woorden die de werkelijkheid vervormen. Dat doorstaan zou een absurditeit zijn".

In Auschwitz werd hij in Buna-Monowitz (Auschwitz-III) ingezet als slaaf van IG-Farben. Nadat hij een opzichter had geholpen bij het formuleren van een schriftelijk voorstel om het werk rendabeler te maken, kreeg hij een postje als Schreiber. Als klerk had ook hij (zoals hij in Jenseits over handenarbeiders in Auschwitz schrijft) "het geluk in een overdekte, tegen weer en wind beschutte werkplaats zijn dagen door te brengen" en dat vergrootte ook zijn overlevingskansen. Na de ontruiming van Auschwitz, midden januari 1945, kwam hij nog in Gleiwitz-II, Dora-Mittelbau en Bergen-Belsen terecht (niet in Buchenwald, al beweerde hij dat later).

Na de bevrijding keerde Maier direct naar België terug. "Waar had ik anders heen gekund? Liefst van al was ik nergens meer heengegaan. Ik ben over bergen lijken, bergen kadavers geklommen en dacht, waarom ben ik eigenlijk nog in leven?" Voor zijn vrouw. Voor haar had hij zich "twee jaar lang in leven gehouden". Maar bij zijn terugkeer bleek dat ze in augustus 1944 aan een hartkwaal was overleden.

Maier vestigde zich in Brussel en probeerde "met woorden de wereld de baas te worden". Hij werd een broodschrijver, "een typisch literaire handarbeider die over alles schreef waar maar vraag naar was", voornamelijk voor Zwitserse tijdschriften en kranten. In april 1955 hertrouwde hij en nam de schrijversnaam Jean Améry aan, een bijna-anagram van Mayer. Dit Romaans klinkend pseudoniem zegt veel over zijn grote belangstelling voor de Franse cultuur en zijn distantiëring van de Germaanse wereld.

Met de essays over zijn kampervaring en hun publicatie in Duitsland, begon midden jaren zestig een nieuw hoofdstuk in Améry's leven. Voortaan legde hij zich toe op het literair-essayistisch genre met sterk autobiografische inslag. Zijn oorlogservaring vormde de grondslag voor uitputtend nadenken over grenssituaties van het menselijke zijn en denken.

Anders dan tot op heden wordt aangenomen, schreef Améry al eerder over zijn kampervaring. In zijn nalatenschap zit een schoolschrift dat hij eind 1945, begin 1946 volpende met een ontwerp voor een roman, Reise um den Tod in achtzig Stunden. Het geheel was bedoeld als aanvulling op zijn jeugdroman. Het hoofdstuk Die Festung Derloven, negenenveertig bladzijden in kriebelschrift, bijna niet te ontcijferen, is de eerste aanzet tot Améry's essay over Breendonk en Die Tortur. Zoals Maier wordt ook Eugen Althager op 23 juli 1943 gefolterd. Ook hij analyseert wat er met hem gebeurt en is zich scherp bewust van zijn extreme verlatenheid ("Helpt goede mensen! Maar de muren waren drie meter dik, niemand kon helpen"). Ook hier filosofische beschouwingen over sterven, dood en zelfdoding. Interessant is ook de passage waarin Althager zegt dat zijn kampherinneringen hem worden ontstolen door de vloed krantenberichten over de KZ, de gruwelbeelden in bioscoopjournaals en de ontelbare kampboeken. Zijn lot wordt ontei­gend, ontwaard tot massa-lot, een door elementaire gevoelens gekenmerkt reportage-lot. Dit moet een van de redenen geweest zijn waarom de schrijver Maier bijna twintig jaar over dit onderwerp zweeg.

Améry's radio-essays bleven niet onopgemerkt in Duitsland. Hij werd al snel erkend als een nieuwe meester van het sociale essay. Zijn politieke stukken deden telkens weer stof opwaaien. Hij was een veel gevraagd en bewonderd humanist, door sommigen een hedendaagse Erasmus genoemd. In de jaren zeventig kreeg hij in Duitsland en Oostenrijk bijzonder veel erkenning. Het mocht allemaal niet baten. Améry voelde zich almaar meer verlaten en vervreemd. In de nacht van 16 op 17 oktober 1978 nam hij, in een hotel in zijn geboorteland, een overdosis slaapmiddelen, ging den Weg ins Freie.

Deze dramatische afloop vervormt het beeld dat van Améry en zijn oeuvre wordt geschetst. Brouwers bijvoorbeeld, projecteert de zelfveroordeling van de Améry van eind jaren zeventig als een onontkoombaar lot op diens hele leven. Dat wordt kracht bijgezet door enkele in dit licht onheilspellende titels, zoals Weiterleben - aber wie? Maar dit essay uit 1970 gaat helemaal niet over Améry's persoon­lijke leven maar over de crisis van het utopische denken. Volgens Améry was die te wijten aan de loskoppeling van de technisch-wetenschappelijke utopie (de vooruitgang) van de sociaal-humanistische. Waarna hij een vurig pleidooi houdt om ze terug complementair te maken.

Gezien vanuit de afloop van zijn leven lijken sommige van zijn werken, vooral zijn boek over zelfdoding, Hand an sich legen (1976), wel een kroniek van een aangekondigde dood. Toch kwam zijn zelfdoding vrij onverwacht. Hij had nog afspraken lopen met vrienden en wachtte vol ongeduld op de eerste besprekingen van zijn in september verschenen Charles Bovary, Landarzt, een rehabilitatie van de echtgenoot van Flauberts Madame Bovary.

Al was het gevoel van mislukking bij Améry nooit ver weg, zijn leven en denken werd er niet door overheerst. Hij was en bleef een rebel, iemand die zich met hand en tand verzette tegen werkelijkheden die hij moreel afkeurde. Niet voor niets bewonderde hij de Voltaire die in 1755 een protest schreef tegen de aardbeving van Lissa­bon. Ook Améry bleef revol­teren tegen het onom­keerbare: vergetelheid, ouderdom en dood - kortom, het verstrijken van de tijd.

De essays in Jenseits kaderen in deze revolte. Glashelder analyseert Améry wat de Duitsers hem als intellectueel, mens, Duitstalige en jood hebben aangedaan. Onherstelbaar. Maar dat weigert hij te aanvaarden, de kloof tussen slachters en slachtoffers moet worden gedicht.

Het vierde essay, Ressentiments, over wrok, past niet meteen in Améry's analyse van het slachtofferschap, maar het is een sleuteltekst. Oorspronkelijk wou Améry er de hele bundel naar noemen. Het is geen gemakkelij­ke tekst, hij druist al te zeer in tegen ons gewone denken en aanvoelen. Hij wordt ook vaak verkeerd geïnterpreteerd. Améry zou met dit opstel alleen maar aangetoond hebben hoe lelijk het slachtofferbewustzijn wel is. Niks dan haat, wrok, zelfbeklag, puur venijn van iemand die een kamppersoonlijkheid heeft opgebouwd, een beroepsslachtoffer. Améry's denken is evenwel veel genuanceerder en rijker.

Ressentiments werd geschreven in de maanden direct na het Auschwitzproces en begin februari 1966 voor de radio opgenomen. In dit essay en ook in het volgende, Über Zwang und Unmöglichkeit, Jude zu sein,dat anderhalve maand later werd geregistreerd, verwijst Améry herhaaldelijk naar het proces en zijn afloop. In de eerste drie stukken had hij dat niet één keer gedaan, een vage allusie in het begin van het eerste essay niet te na gesproken, maar die werd later toegevoegd, toen het boek werd samengesteld.

In Ressentiments stelt Améry dat, nu de "misdadigers ondanks de verlenging van de verjaringstermijn voor oorlogsmisdaden toch de kans krijgen om eervol oud te worden en ons te overleven", het hem niet om gerechtigheid te doen is. Het verleden kan niet recht-gesproken worden. Schuld en boete zijn irrele­vant, alleen theologisch zinvol. Het conflict tussen slachtof­fers en slachters is onopgelost gebleven, de wrokgevoelens zijn nog springlevend. Het enige wat hij "kan bijdragen, is de uit introspectie gewonnen analyse van die wrokgevoelens".

Améry onderscheidt twee vormen van ressentiment (vandaar de ongebruikelijke meervoudsvorm Ressentiments in de titel) maar maakt dat onvoldoende duidelijk. Enerzijds de subjectief-individuele wrok, een zaak die tussen slachtoffers en daders moet worden uitgevochten; anderzijds de objectief-historische wrok, een politieke taak voor later geboren generaties. Een op het verleden en een op de toekomst gerichte wrok.

Améry's wraakzucht werd bevredigd toen de Vlaamse SS'er Wajs (in werkelijkheid Fernand Wyss), die hem in Breendonk met een schopsteel had geslagen, werd terechtgesteld. Toen Wyss voor het executiepeloton stond ervoer hij de morele waarheid van zijn wandaden. Op dat ogenblik was hij "met mij - en ik was niet meer alleen met de schopsteel. Ik geloof graag dat hij op het moment van zijn executie de tijd zoals ik had willen umdrehen en het gebeurde even graag ongebeurd had willen maken. Toen hij voor het vuurpeloton werd geleid, werd deze tegen-mens terug medemens".

Had alles zich tussen hem en Wyss voltrokken, dan had diens executie volstaan. Maar Wyss was "slechts een van de velen". En zes miljoen Duitsers doden... dat overwoog geen zinnig mens. Wraak en boete kunnen Améry niet verlossen uit de eenzaamheid die werd teweeggebracht door vervolging en foltering. Uit die verlatenheid, het verlies van zijnWeltvertrauen, kan hij maar verlost worden als het onomkeerbare wordt omgekeerd, het gebeurde ongebeurd wordt gemaakt. En dat kan "door de misdadiger aan zijn misdaad vast te nagelen. Alleen als deze moreleZeitumkehrung voltrokken is, kan hij voor het slachtof­fer terug betekenis krijgen als medemens".

Moraal impliceert revolte tegen de werkelijkheid. Tijd heelt niet alle wonden. Hij moet worden omgedraaid. De wrok moet op politiek vlak gerealiseerd worden, het Duitse volk moet Hitler zurücknehmen. Het nazi-verleden, die negatie van Duitse traditie en cultuur, niet langer verdringen en ontkennen maar als hun negatieve bezit aanvaarden en in de nationale geschiedenis integreren. Alleen dan kan het evenwicht hersteld, de schande uitgewist, de wrok overbodig gemaakt worden.

Maar, besluit Améry pessimistisch, "niets van dit alles zal gebeuren". Al mag hij via de media de Duitsers grof en tactloos de waarheid vertellen, niemand doet er iets mee. Hij heeft "de moordenaars van toen en de potentiële agressors van morgen niet kunnen meeslepen in de morele waarheid van hun misdaden". Hij is weer "alleen, zoals destijds bij zijn foltering". Het anti-semitisme is nog altijd een werkelijkheid, zeker in zijn "kernlanden, Oostenrijk en Duitsland, waar de nazi-misdadigers niet of slechts tot belachelijk korte gevan­genisstraffen worden veroordeeld". Het enige dat hem overblijft is onvoorwaardelijke solidariteit met alle bedreigde joden.

Wrok als instrument voor verzoening tussen slachtoffers, daders en hun nakomelingen. Ressentiments is tegelijk aanklacht en vertwijfelde oproep. Diep onder de harde laag van Améry's onverzoenlijkheid zit een verbazingwekkende verzoeningsutopie.

In 'De noodzaak en onmogelijkheid, jood te zijn' illustreert Améry aan de hand van zijn eigen ervaring hoe het verleden verwerkt kan worden. Ook hij had weinig of niets gemeen met het jodendom van zijn vader en grootvader. Hij werd niet joods ­opge­voed, had geen religieuze of culturele banden met het joodse volk, beschouwde zich­zelf niet als jood. Toch nam hij het jood-zijn op zich. De menselijke waardigheid die je werd ontzegd, moet je terugwinnen door ze alsnog van de gemeenschap af te dwingen. Dat is de noodzaak jood of Duitser te zijn, ook al heb je in feite niets met die slachtoffers en die daders te maken. Zoals hij met het slachtofferschap deed, moeten jonge Duitsers het daderschap op zich nemen.

Velen zijn ervan overtuigd dat Améry in Auschwitz in een vat vol wrok veranderde, en dat die zijn hele leven vergalde. Maar ­de Améry van midden jaren zestig wanhoopte niet, hij probeerde de werkelijkheid te veranderen. Alleen in de twee laatste essays, geschreven na het Auschwitzproces, halen wrok, angst en bitterheid het op hoop en utopie. Hij vreest voor een heropflakkering van anti-semitisme, een "nieuwe massale vernietiging van de joden", Israël dat onder de voet zal worden gelopen. Maar enkele maanden later, toen hij het woord vooraf voor Jenseits schreef, hoopte hij alweer.

Een jaar later zag de toekomst er nog rooskleuriger uit. Op 24 juni 1967, veertien dagen na de Zesdaagse Oorlog, toen Israël verschillende Arabische gebieden aanhechtte, schreef Améry in een brief dat de joodse staat "een nieuw jodenbeeld heeft gerealiseerd waardoor de joden bevrijd werden van het zelfbeeld dat ze zich door de anti-semieten lieten voorschrijven". Kort nadien schreef hij in een essay over joden in de nazi-getto's dat "het hakenkruis waarop men de joden genageld heeft, niet alleen het beeld van de joodse godsmoordenaars van de scène heeft verdrongen, maar dat het algemeen en wereldwijd tot symbool geworden is van het menselijk en geschiedkundig ondraaglijke. Het zijn de gettobewoners die daarvoor de prijs betaald hebben, zij gaven mensen de kans zich van het kwaad te verlossen. ... er zou een nieuwe geschiedenisfilosofie ontworpen moeten worden, beter gezegd, ze is al ontstaan, het waren de mensen in het getto die haar eerste zinnen hebben geschreven. Niets zal nog zijn als voordien. Misschien zal men ooit zeggen dat de geschiedenis van een menselijker mensheid begonnen is temidden van de onmenselijkheid van het getto".

Pas in de jaren zeventig gaf Améry beetje bij beetje de moed op. Een van de belangrijkste oorzaken daarvan was dat de linkerzijde zich van Israël afkeerde en zich aan de kant van de Palestijnen schaarde. Dat jonge linkse Duitsers "zich niet langer verant­woordelijk achtten voor de slachtoffers van hun ouders, maar voor de slachtoffers van de slachtoffers", kon er bij Améry niet in. Door dit verraad van Nieuw Links, waarin hij al zijn hoop had gevestigd, stonden de joden er weer zo alleen voor als in 1933-45. Volgens Améry was iedere jood nog steeds op dodenmars. Anti-zionisme was voor hem vermomd anti-semitisme, een "eerbaar anti-semitisme" dat zich maatschappelijk aanvaardbaar wou maken. Améry beriep zich op zijn verleden om de wereld tot inkeer te brengen: "Hij die tot u spreekt, was getuige. Hij werd zelf afgetast, zoals in het sprookje van Hans en Grietje, niet om te zien of hij vet genoeg, maar of hij mager genoeg was om geslacht te worden."

Eind 1976 had hij, zoals uit zijn laatste woord vooraf voor Jenseits blijkt, bijna alle hoop opgegeven: "Geen enkele wonde is dichtgegroeid, en wat in 1964 misschien op het punt stond te helen, breekt nu weer als geïnfecteerde wonde open." In april 1977 sprak hij in Revision in Permanenz. Selbstanzeige im Zweifel zijn diepe twijfel uit over alles wat hij ooit dacht en opperde. Hij wordt "dagelijks overvallen door de wereld", "ieder uur nieuwe raadselen, verstandelijke, politieke en emotionele". Hij "is geen baas meer in eigen huis". "Rechterzijde, linkerzijde", hij weet niet meer waar hij staat, "alle coördinatensystemen storten in mekaar en met hen een ik dat al lang geleerd heeft zichzelf te wantrouwen". Vertwijfeld probeert hij zijn radicaal humanisme nog toe te passen, maar hij "kan niet meer mee, is uit de tijd gevallen". Nog haalt de revolte het, maar voor hoe lang?

Goed een jaar later schreef hij zijn laatste volledige tekst, In den Wind gesprochen. Toorn die begeleid wordt door een gevoel van totale onmacht houdt niet langer jong maar leidt tot treurnis en berusting, en die maken oud. "Men spreekt in de wind, de stem dooft uit nog voordat de spreker heengaat. Maar de machteloze toorn blijft." De "niet altijd intelligente linkse intellectuelen" waartoe hij zich rekent, zijn al te lang blind geweest aan het linkeroog. Ze verwachtten alles van communisme en Sovjet-Unie, schuwden al het Amerikaanse als de pest. Dat de westerse mens, zeker de Duitser van het Wirtschaftswunder, best tevreden was met zijn lot, weigerden ze te zien. Zij wisten beter: het volk was ongelukkig zonder het te beseffen, of met een toverwoord, vervreemd van zichzelf. Deze geestelijke hoogmoed maakte onvergeeflijk blind voor de behoeften, hoop- en angstgevoelens van medemensen. Het was, besluit Améry, "tijd om een nieuw Links te ontwerpen" en daaraan wou hij "te gelegener tijd zijn steentje bijdragen".

Améry nam de slachtofferrol op zich en analyseerde haar subjectieve essentie. Nadrukkelijk stelde hij dat het hem niet ging om Derde Rijk, daders of gerechtigheid. "Men heeft mij verwond. Ik moet die wonde ontsmetten en verbinden, niet overdenken waarom de beul zijn knuppel nam, want dan zou ik zijn beweegreden vinden en hem op die manier gedeeltelijk verontschuldigen. De anti-semieten waren mijn zaak niet, ik moest met mijn eigen bestaan in het reine komen. Dat was al lastig genoeg." Hij hamerde ook op de uniciteit van de jodenmoord, kantte zich tegen historisering, was tegen elke vergelijking met andere genocides.

Daarmee was hij volgens sommigen ver vooruit op zijn tijd. Dat valt te betwijfelen. Améry's standpunten zijn kenmerkend voor het slachtofferperspectief, en dat heeft hij als geen ander onder woorden gebracht en ontleed. De collectieve herinnering aan de jodenmoord is in de voorbije dertig jaar, anders dan de geschiedschrijving, almaar meer in de ban geraakt van het slachtofferperspectief. Vandaar dat er nu, anders dan in de jaren zestig, een markt is voor vertalingen van Jenseits, die expliciet voor jonge Duitsers bestemde uiteenzetting van het slachtofferschap. De eerste vertaling kwam er in 1980, niet toevallig in de VS waar het slachtofferperspectief toen al sterk gecultiveerd werd. Nu het ook in Europa de collectieve herinnering beheerst, kon Jenseits eindelijk ook in het Frans en Nederlands worden vertaald.

Politiek en geschiedkundig gezien is de verschuiving in de richting van het slachtofferperspectief beslist geen vooruitgang. Slachtoffers kunnen moeilijk of niet loskomen van wat hun werd aangedaan, dat is meer dan begrijpelijk. Ze zitten, zoals Améry schrijft, vastgenageld aan het kruis van hun vernielde verleden. Hij maakte daar een morele verdienste van. De daders moeten de slachtoffers doorgronden en begrijpen, niet omgekeerd. Maar dat is voor daders vermoedelijk even onmogelijk als het voor slachtoffers ondoenbaar is te bevatten wat daders bezielde. Beiden zitten aan het gebeurde vastgekluisterd, rug aan rug, de andere kant opkijkend.

Inleving in slachtoffers is nodig om te beseffen dat het niet weer gebeuren mag, om herhaling te willen voorkomen. Maar om ze ook te kunnenvoorkomen, moet door de ogen van de daders worden gekeken, moet worden doorgrond hoe mensen als u en ik beul kunnen worden.

Dit artikel is op vele, hoofdzakelijk Duitstalige bronnen gebaseerd: archiefstukken, geschiedkundige werken, teksten en interviews van Jean Améry, de literatuur over hem. Alle uittreksels heb ik zelf uit het Duits vertaald; voor die uit Jenseits heb ik me gedeeltelijk gebaseerd op de Nolens' vertaling.

Onder de titel 'Tussen wrok en verzoening' verschenen in het Nieuw Wereldtijdschrift, oktober 2000, p. 60-68.