Ordnung muŖ sein! | Nederland en de jodenuitroeiing

Jacobus Lambertus Lentz was een begeesterd ambtenaar, een man van principes en met een ideaal: het bedenken van een perfect identiteitsbewijs. Als hoofd van de in 1936 in Nederland opgerichte Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters standaardiseerde en centraliseerde hij de registratie op nationaal vlak. Een prestatie die door de Nederlandse koningin met een medaille voor bewezen diensten werd beloond. In maart 1939 werd een door Lentz bedachte identiteitskaart, met foto en vingerafdruk, aanbevolen door een regeringscommissie. Een jaar later wees de regering het voorstel uiteindelijk af, alle burgers als potentiële criminelen beschouwen druiste al te zeer in tegen de Nederlandse tradities. Een bezwaar dat natuurlijk verviel toen de nazi's de macht overnamen. Onder druk gezet door de bezetter droeg het college van de Nederlandse secretarissen-generaal Jacob Lentz op een sluitend identiteitsbewijs te ontwerpen. Zijn geperfectioneerd systeem werd eind 1941 ingevoerd. Een driedelig persoonsbewijs, met handtekening, foto en vingerafdruk, gedrukt op speciaal karton, met daarin driemaal de Nederlandse Leeuw als watermerk en een tekst gedrukt in inkt die onzichtbaar werd als hij tegen een lamp werd gehouden. Alle gegevens werden in een speciale cartotheek samengebracht in Den Haag. Nergens in Europa bestond toen zo'n waterdicht identificatiesysteem, ook niet in nazi-Duitsland. Lentz, Duitsgezind maar geen antisemiet, werkte ook actief mee aan de verdere verbetering van de jodenregistratie. Hij maakte zelfs een speciale studie van joodse namen, waardoor nog meer joden opgespoord konden worden. Het Verzet bleef tot het bittere einde de grootste moeite hebben om het persoonsbewijs te vervalsen en kon daardoor minder mensen redden. De droom van een perfectionistisch bureaucraat, gerealiseerd onder antidemocratisch bewind, kostte aan vele duizende joden het leven. Na de oorlog kreeg Lentz drie jaar gevangenisstraf.

Eén slecht geplaatst individu, een onberekenbare factor, heeft dus in belangrijke mate bijgedragen tot het 'welslagen' van de jodenuitroeiing in Nederland. Er werden al vele verklaringen gegeven voor het ook bij vergelijking enorm percentage slachtoffers, bijna dubbel zoveel als in België. Geleidelijk werd steeds duidelijker dat het om een ingewikkeld kluwen gaat van in elkaar grijpende en elkaar versterkende oorzaken. Enkele weken geleden berichtte ik op deze plaats (De Morgen, 26.6) over de toen recentste studie over dit onderwerp. Twee Nederlandse historici, Pim Griffioen en Ron Zeller, toonden aan dat sommige oorzaken eigenlijk niet van doorslaggevend belang waren. Ze weerlegden ook enkele vooroordelen over de niet-joodse bevolking, bijvoorbeeld dat het allemaal te wijten zou zijn aan de extreme gezagstrouwheid van 'de Nederlanders' of dat ze minder bereid waren om joodse landgenoten onderduikgelegenheid aan te bieden. Wel een beslissende factor was volgens hen dat het verzet in Nederland later op gang kwam dan in België, waardoor er voor de Nederlandse joden nog maar bitter weinig onderduikmogelijkheden waren toen de razzia's begonnen. Ook van belang was dat de joden in België minder geassimileerd waren, meer in eigen groepsverbanden leefden en zich al kort na het begin van de oorlog uit eigen beweging organiseerden. Mede daardoor kon de oprichting van een Joodse Raad worden uitgesteld. In Nederland werd al begin 1941 een Joodse raad opgericht en die speelde een bepalende rol bij de registratie en de deportatie. Van groot belang was ook dat de bezetters in Nederland, anders dan in België, geen militair maar een civiel bestuur ingesteld hadden. In Nederland werd de SS niet afgeremd door de doorgaans minder gedreven en minder antisemitische militairen.

Zopas rolde een uitgebreide Engelstalige studie van de pers waarin een uitstekend overzicht wordt gegeven van de vele verklaringen en argumenten die in het verleden werden aangevoerd. Bob Moore, hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de universiteit van Manchester, oppert bescheiden dat hij niets nieuws brengt. Hij verrichtte geen origineel onderzoek, zijn boek is alleen bedoeld om de taalbarrière te doorbreken door het vele in Nederland gedane onderzoek samen te vatten voor de hierover grotendeels onwetend gebleven Angelsaksische wereld. Maar de auteur heeft veel meer verwezenlijkt. Bij mijn weten bestaat er in het Nederlands geen studie waarin op zo'n bondige en luciede wijze een degelijk overzicht wordt gegeven van de gebeurtenissen, interpretaties, theorieën en argumenten. Zonder dat gesimplificeerd wordt, sterk genuanceerd in zijn oordeelvorming, met besef van de complexiteit van de geschiedenis en groot respect voor de individuele slachtoffers, de tienduizenden individuele tragedies die schuilgaan achter iedere veralgemening.

De herkomst van de joden in Nederland, hun plaats in de sociale, economische en politieke context wordt geschetst, met de klemtoon op de jaren dertig. De geschiedenis van de invasie en de beginnende Duitse bezetting wordt uit de doeken gedaan, hoe de joden geïdentificeerd, geïsoleerd, gedeporteerd en uitgeroeid werden. De rol van de Joodse Raad wordt helder uiteengezet, met de verschillende juridische en geschiedkundige beoordelingen. Ook de overlevingskansen van verschillende groepen joden worden belicht, diegenen die tijdelijk uitstel van executie kregen maar uiteindelijk toch werden verschleppt (wederrechterlijk, met geweld wegvoeren), de gemengd gehuwde joden en hun nakomelingen, deMischlinge. In februari 1942 kregen de joden een J of een B op hun identiteitskaart gedrukt. De B stond voor 'bastaard' maar werd vrij snel vervangen door de G voor 'gemengd'. In de lente van 1943 stelden de nazi's de gemengd gehuwden voor de keuze: Arbeitseinsatz in het oosten of sterilisatie. Goed een jaar later hadden 1.146 mannen en 1.416 vrouwen zich laten steriliseren, maar de meerderheid gokte kennelijk op uitstel van deportatie. Wie gesteriliseerd was moest geen gele ster dragen en kreeg een rode J op de identiteitskaart. Onder de overlevenden vormden de gemengd gehuwden uiteindelijk veruit de grootste groep.

Ook de onderduikers komen aan bod, de niet-joden die onderdak boden of anderzins hielpen en wat hen daarbij motiveerde. Joden werden links en rechts geholpen, vooral door calvinisten en communisten. Veel aandacht gaat uiteraard ook naar de vervolgers, de bureaucraten, de collaborerende politie en de jodenjagers. Ook de hongerwinter en de voor velen bittere terugkeer naar Nederland wordt beschreven. Dat alles wordt aangevuld met een degelijk notenapparaat, een chronologie van de jodenvervolging, een bruikbare bibliografie en een register dat de vele gedetailleerde informatie goed ontsluit.

Het comparatieve gedeelte, de vergelijking met de jodenvervolging in België en Frankrijk, is relatief zwak. Er wordt slechts af en toe vergeleken en dat gebeurt, zeker wat België betreft, eerder oppervlakkig met inbegrip van enkele onjuistheden. Over de niet-joodse Nederlandse politieke gevangenen wordt met geen woord gerept. Het ware nochtans interessant geweest om hun terugkeer uit de concentratiekampen aan die van de joden te toetsen. Uit vele ooggetuigenverslagen volgt dat de meeste Nederlanders voor geen van beide groepen veel oog hadden. Dit had de auteur kunnen behoeden voor de verklaring dat er vooral antisemitisme in het spel zou geweest zijn.

Moore's boek moet zo goed als persklaar geweest zijn toen de onderzoeksresultaten van Griffioen en Zeller begin dit jaar gepubliceerd werden. Ze komen ook alleen in de conclusie van Moore aan bod. Hij sluit zich tamelijk gehaast bij hen aan, al heeft volgens hem de bijwijlen enthousiaste collaboratie van sommige Nederlandse politielui wel een beduidende rol gespeeld. In kringen van geïnteresseerde historici was het onderzoek van Griffioen en Zeller al eerder bekend. In 1993 hielden ze er een lezing over in Amsterdam en die tekst circuleerde. Het is een beetje jammer dat Moore hun conclusies niet echt bij zijn denkwerk heeft kunnen betrekken. Maar meer dan een verzuchting van een veeleisend lezer is dit niet. Ze doet niets af aan de vele kwaliteiten van dit intelligent, kritisch en goed geschreven boek.

De verschillende fasen van het onderzoek worden behoedzaam uit de doeken gedaan, met oog voor de vervalsing die ontstaat door onze kennis van de afloop, waardoor alles er nog planmatiger uitziet dan het destijds was. Bijvoorbeeld het systeem van de zogenaamde Sperre, de vele uitzonderingen die gaandeweg bedacht werden om bepaalde categorieën van joden tijdelijk van deportatie vrij te stellen: de staf van de Joodse Raad, joden die werkten in een voor de Duitse oorlogsvoering belangrijke industrie, joden met de nationaliteit van een bevriende natie, enz... Velen hebben dit als een doelbewust kat en muis spel geïnterpreteerd. Telkens weer hoop geven, in slaap wiegen, om dan de niet ondergedoken joden onverhoeds te grijpen. Moore maakt duidelijk dat andere beweegredenen bepalend waren, al waren die niet noodzakelijk edelmoediger. De Sperre kwamen er in feite op initiatief van de Joodse Raad (in Nederland ook 'Joods verraad' geheten) en ze waren waarschijnlijk ook van Duitse zijde meestal oprecht bedoeld. Maar de vele uitzonderingen en beveiligingen werden telkens weer ongedaan gemaakt wanneer vanuit Berlijn de druk op de SS-ers in Nederland werd opgevoerd om meer joden oostwaarts te sturen.

Het lot van de joden in de verschillende West-Europese landen kan niet alleen achteraf vergeleken worden, kennelijk was het destijds met elkaar verweven. Toen in Frankrijk vrij snel bleek dat de collaborerende Vichy-ambtenaren niet van plan waren snel te voldoen aan het opgelegd aantal te deporteren joden, werd het quotum voor Nederland opgevoerd. In Nederland verliep een en ander namelijk gesmeerder, onder meer omdat alle burgers, joden inbegrepen, al voor de oorlog nauwgezet geregistreerd waren. Men had dan ook minder problemen met identificatie en isolatie. De vooroorlogse registratie als (religieus) jood hield onder meer verband met de goede integratie en assimilatie van de sinds lang in Nederland gevestigde joden. De overgrote meerderheid was ook Nederlander. In België en Frankrijk was dat omgekeerd. Daar waren de meeste joden relatief recente inwijkelingen, slechts een kleine minderheid had de nationaliteit van het land.

Het gesmeerd verloop van de deportatie in Nederland zorgde er ook voor dat, anders dan in België en Frankrijk, de transporten niet werden opgeschort toen de SS in Auschwitz van maart tot mei 1943 de handen vol had met de uitroeiing van de joden van Saloniki en een tyfus-epidemie. Negentien van de twintig daaropvolgende transporten gingen naar een ander uitroeiingskamp, Sobibor. Van de in totaal 34.313 Nederlandse joden die daarheen gingen overleefden er slechts 19. Het gaat om een aantal slachtoffers dat het verschil met andere West-Europese slachtoffers kan verklaren.

De terugkeer naar de democratie liep niet van een leien dak. Niet zelden ging daar juridisch gebekvecht mee gepaard over eigendom en nalatenschap. De vraag of de ouders vóór dan wel na hun kinderen vergast waren, kon daarbij beslissend zijn. Moore geeft het voorbeeld van een Rotterdams joods gezin dat gedurende zes maand ondergedoken zat bij een vrouw aan wie de joodse vader (in ruil?) een waardevol vastgoed had nagelaten. Het hele gezin werd in Sobibor omgebracht. De wilsbeschikking van de vader werd na de oorlog aangevochten door zijn broer en zus. De rechter besliste dat aangezien de zoon zijn vader enkele weken had overleefd, de laatste wens van de vader gerespecteerd diende te worden. De hulpvaardige vrouw behield haar erfenis, broer en zus kregen alleen wat hun via de zoon toekwam.

Moore, Bob - Victims & Survivors. The Nazi persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945, London, Arnold, 1997.

Verschenen in De Morgen, 22 augustus 1997.