Identiteit als verbeelding | Niet uit n stuk

Is de Hagia Sofia, het indrukwekkende gebouw in Istanbul, een christelijke kathedraal (6de eeuw), een islamitisch gebedshuis (midden 15de eeuw), een Turks museum (20ste eeuw) of nu toch weer een moskee? Kan de Griekse identiteit herleid worden tot Parthenon of Akropolis, de Egyptische tot de piramiden van Giseh, de Franse tot de Eifeltoren, ‘gehandicapten’ tot hun beperking, wit en zwart tot hun huidskleur, vrouw en man tot één chromosoom, de misdadiger tot zijn misdaad?

Mijn ontelbare identiteiten is het geslaagde literaire debuut van Sinan Çankaya (°1982). De auteur is in Nederland geboren uit eerste generatie Turkse migranten en doceert als cultureel antropoloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Academisch promoveerde hij op een onderzoek naar diversiteit binnen de politieorganisatie. Buiten veiliger dan binnen (2011) deed flink wat stof opwaaien. Een jaar later publiceerde hij de resultaten van zijn onderzoek naar etnisch profileren, racistische in- en uitsluiting: De controle van marsmannetjes en andere schorriemorrie.

Mijn ontelbare identiteiten kreeg vorm toen zijn oude middelbare school hem uitnodigde om ter gelegenheid van haar veertigjarige bestaan als ‘oud-leerling die over grenzen heen is gaan kijken’ een stukje te schrijven en een lezing te geven. Veel zin had Çankaya er niet in. Waarom zou hij zich inzetten voor de school waar hij verbijzonderd werd, tot in den treure Turkengrappen moest ondergaan, het gevoel opgezadeld kreeg er niet bij te horen en van een openlijk racistische en seksistische geschiedenisleraar te horen kreeg dat hij voor galg en rad opgroeide? Zou hij eraan toevoegen dat zijn ouders hem iets gelijkaardigs hadden bijgebracht? Dat Turken onverbeterlijk ‘anders’ zijn, tijdelijk in Nederland vertoeven, er ongewenst zijn, op hun tellen moeten passen?

Ellende

Çankaya leerde vaderlandslievend zijn, een ‘goede Turk’, trots op oorsprong, volk en vlag. De mythische verhalen die Turken met elkaar verbinden, aanvaardde hij als onwrikbare waarheden. Als zestienjarige twijfelde hij er niet aan dat er hoogwaardig Turks bloed in zijn aders stroomde. ‘Blut und Boden, ieder volk zijn eigen Lebensraum’, zoveel was zeker. Hij zag zichzelf zoals hij werd gedefinieerd, een identiteit als ‘een loodzwaar harnas’ en het almaar sterkere gevoel ‘er niet bij te horen’.

In Turkije, zijn onechte thuisland, werd hij als Nederlandse Turk al evenmin voor vol aanzien. Hij was niet authentiek. In ellende zit land verscholen, een buitenland waar je als balling niet thuishoort. Het werd er niet beter op nadat Çankaya in enkele publicaties het regime van Erdogan hekelde en het Turkse nationalisme bekritiseerde. Hij werd nestbevuiler, nep-Turk. Identiteiten zijn contextafhankelijk. In Nederland is Çankaya Turk en kleurling, in Turkije een landverrader, in de VS een blanke.

Uit één stuk

Iedereen wordt geboren in een bepaald sociaaleconomisch milieu en tijdperk. Veel keuzes liggen vast voor je eraan toe bent. Voor je een ‘ik’ wordt, zijn er alleen Anderen. Zij maken en benoemen je, zij bepalen wie je kan zijn of mag worden. Heb je mazzel dan tref je begeleiders die je wijzen op wijd openstaande poorten, op mogelijkheden, je diets maken dat identiteit iets anders is dan een rechtlijnig karakter. Maar als buitenlander - ook al ben je ter plekke geboren - word je als ‘ellendeling’ beperkt. Tijdens zijn zoektocht naar identiteit beschikte Çankaya over weinig bewegingsruimte. Ook al omdat zijn ‘hunkering om ergens bij te horen’, intussen afketste op bezwaren tegen groepen en ondeelbare individuen, mensen uit één stuk.

Çankaya heeft lang tegen zichzelf gevochten, tegen ‘het stemmetje dat [hem] influisterde om er de brui aan te geven, om mee te deinen op de golven van het vanzelfsprekende en het gewone – om ‘normaal’ te doen. Om erbij te horen. Geaccepteerd en erkend te worden.’ Als gelijke beschouwd willen worden is ‘de verinnerlijkte inferioriteit van de Ander’.

Sisyphus

Dit veranderde ingrijpend toen hij uit ‘zijn leven stapte’ en – niet geheel toevallig – antropologie ging studeren. Die studie demonteerde hem. Elk college ontplofte er wel iets in zijn hoofd, werd nog ‘een traditie, geloof, gewoonte en vanzelfsprekendheid binnenstebuiten gekeerd. Bijvoorbeeld dat nationalisme eigenlijk een vrij recente menselijke uitvinding is, en pas sinds de negentiende eeuw is ontstaan.’ Naties zijn verbeelde en veranderlijke gemeenschappen, voorstellingen van mensen, zij het met soms verregaande gevolgen.

Langzaam maar zeker leerde Çankaya de wereld een beetje beter begrijpen. Jean-Paul Sartre bracht hem aan het verstand dat leven betekenis krijgt door betrokkenheid. Van Albert Camus leerde hij dat elke dag opnieuw het rotsblok omhoogduwen er werkelijk toe doet. Çankaya ging in het verweer, leerde inderdaad over grenzen heen kijken, onttrok zich aan het sociale milieu dat hem had bepaald. Hij deed en doet onderzoek naar diversiteit en doceert over etnisch profileren, het stereotyperen van wie ‘anders’ lijkt.

Maar nu wil die school hem opvoeren als het migrantenkind uit een nabijgelegen achterstandswijk dat zich via het onderwijs omhoog heeft gewerkt, iemand die het verlichtingsideaal van Nederland heeft vervolmaakt. Een goedhartig paternalisme dat de lat even lager legt om aan te tonen dat ‘beestmensen’ tot iets in staat zijn, als ze maar willen. Hij denkt er niet aan om zich te laten gebruiken in ‘het verhaal van een Nederland dat zichzelf een tolerant zelfbeeld aanmeet, terwijl de werkelijkheid ‘er een is van alledaags racisme, mediageweld en politieke koehandelaars’.

Het bleef knagen. Trouw aan zijn principes voelde Çankaya zich bijna verplicht in te gaan op het verzoek van zijn oude school. Hij pleit tenslotte ‘al langer voor microrevoluties: kleine, maar grensverleggende overtredingen van sociale regels, minuscule verstoringen van “de normale gang van zaken”, zonder per se oplossingen te beloven.’

Meervoudigheid

Identiteiten zijn geen bezit. Ze ontstaan en veranderen door ontmoetingen en botsingen, ze groeien in andermans en de eigen verbeelding. Hoe multicultureler de samenleving, hoe meer ontmoeting, hoe meer verbeelding. Vroeger, toen iemands dorp de wereld uitmaakte, verliep dit eenvoudiger. Maar nu, nu is elke enkeling meervoudig, hoezeer hij of zij zich ook vastklampt aan een allesbepalende identiteit. Hoe verbeeld ook, identiteiten hebben gevolgen. Sommige mensen zijn bereid ervoor te sterven. Starre, onverdraagzame identiteiten kunnen levensgevaarlijk worden.

Gelukkig zijn de verschillen tussen ‘wij’ en ‘zij’ zijn niet altijd even ingrijpend of zelfs maar relevant. ‘Etnische en culturele verschillen zijn’ niet zelden – Çankaya schrijft ‘meestal’ – ‘onzichtbaar en doen er niet toe in ontmoetingen. Totdat wij die verschillen in het leven roepen. Zo houden we ook het idee van etnische gemeenschappen in stand’. We slijpen onze identiteit af aan die van de ‘ander’, worden wat de ander niet is en andersom.

Ieder mens is ‘een voortbrengsel van ontmoetingen, een samenraapsel van verhalen, een bundeling ervaringen. (…) Nooit volledig te vatten, omdat er steeds iets wegglipt, nooit helemaal coherent, en net zo vaak kraakhelder. Identiteit is een zoektocht naar eenheid en het besef dat die er niet is, het inzicht dat we ons het best kunnen verzoenen met de meerdere versies van onszelf, met het glibberige van ontmoetingen, en met vallen en weer opstaan. Identiteiten vereisen onderhoud, en dat werk heeft geen eind.’

Denkwerk

Sociale klasse is doorgaans bepalender dan etnische afkomst. Het herdefiniëren van sociaaleconomische problemen tot integratieproblemen werkt een illusoire oplossing in de hand: ‘net-niet-Nederlanders moeten integreren, wat inmiddels een opdracht tot assimilatie is geworden. Dat wil zeggen: worden zoals de Nederlander denkt dat hij of zij zelf is. Dan mag je erbij horen, is de belofte. We weten inmiddels dat die belofte nauwelijks wordt ingelost. Integratie heeft geen eindstation.’

Uitsluiting is geen abstract iets. Ze bestaat uit hatelijke gezichten en woorden, politie en bewakers die je er steevast uitpikken, via de achterdeur moeten als gastspreker, collega’s en vrienden die je de mond snoeren omdat je ‘te overgevoelig’ reageert op alle onderhuids racisme. Het ‘ik’ telkens weer aan flarden gereten, elke eigenwaarde gedevalueerd. Steeds weer scherven en brokstukken oprapen, nog maar eens proberen een coherent maar o zo broos geheel samen te puzzelen.

Het klimaat in Nederland is almaar openlijker migrantenvijandig geworden. Extreemrechts en klassiek racisme flakkeren wereldwijd op – de keerzijde van multiculturalisme. In 1950 vormden Europeanen en Amerikanen samen een kwart van de wereldbevolking, nu minder dan 14%. De bevolking van twee Afrikaanse landen, Ethiopië en Nigeria, is bijna even groot als die van de VS. In 1950 was twee derden van de wereldeconomie Euro-Amerikaans, nu minder dan twee vijfden (James Meek – ‘The health transformation army’, London Review of Books, 2.7.2020).

Çankaya noemt het multiculturele ideaal ‘een leugenachtig exportproduct, het oppervlakkige Nederland dat toeristen meekrijgen om vervolgens te denken dat we zo ruimdenkend zijn tegen Nederlanders-in-limbo.’ Geen ‘wij’ zonder ‘zij’ - al wie er niet bij hoort. Europa verkwanselt de eigen mensenrechtenstandaarden door weg te kijken van de meer dan driehonderd migranten die elke week in de Middellandse zee verzuipen. Men weigert stil te staan bij ‘de relatie tussen militaire invasies in het Midden-Oosten en internationaal terrorisme’, de geringe afstand tussen daders en slachtoffers.

De ander uitsluiten ‘doet ook altijd iets met onszelf, met onze menselijkheid.’ Het kan anders. Je kunt weigeren ‘jezelf als individu en anderen als een groep te zien’. Weigeren ‘om een handlanger te worden van uitsluiting’. Solidair zijn ‘met mensen die niet op jouzelf lijken, die niet dezelfde ervaringen hebben – mensen die economisch uitgebuit worden, op open zee verdrinken en wiens huis en haard onder het mom van ‘groei’ worden verpulverd.’

De lezing werd niks, maar het denken erover leverde prachtig denkwerk op.

Elkaars deuren tot onszelf,
dat zijn wij, wil en dank,
moed en wil ten spijt.
Wij zijn elkaar, elkaar niet,
dat zijn wij. Poorten naar
de eeuwigheid, naar hier.
Spijkers waaraan iets hangt.
Het is klein wat ik wil zeggen
maar het weegt, ik zwijg het,
kijk dan toch, ik zwijg het
met gebalde vuisten uit.

’s Ochtends worden ze weer opgehaald.
Nou, doe het maar, mamma.
Je bent er immers voor verzekerd.

Mark Boog
Uit: Liefde in tijden van brand
Uitgeverij Cossee, 2020

Çankaya, Sinan – Mijn ontelbare identiteiten, Amsterdam, De Bezige Bij, 2020 - 240 blz

 

Besprekingsartikel gepubliceerd begin augustus 2020 in Het Salon van Sisyphus en Apache

Op 2 september '20 op De Reactor en Knack.be

Als 'De verbeelding van identiteit' in de Sprokkel (Vrijzinnig humanistisch tijdschrift regio Westhoek Noord), herfst 2020, p. 4-6