De prijs van vrijheid | De Arkprijs voor het vrije woord voor Gie van den Berghe

Een maand geleden vernam ik dat me de Arkprijs werd toegekend. Een verdomde eer. Ongeloof. Balsem op vele wonden. Fantastisch! Een prijs zonder prijs. Niet te koop, de prijs niet, ik niet. Dat gevoel.

Of ik over een tiental dagen een tekst kon opsturen. Vanzelfsprekend, antwoordde ik, opgewonden door het moment. Interessant ook : denken en schrijven over wat me bezighoudt, bezwaart. Die nacht, als mensen horen te dromen, lag ik wakker van de droom van de dag. Wat houdt me bezig, is sociaal relevant, de prijs waardig én kan in zo korte tijd gedacht en geschreven worden ? Neem iets dat je liggen hebt, suggereren vrienden, hier een beetje sleutelen, daar een beetje schaven. Maar de geboden kans moet te baat genomen worden, deze prijs, dit voorrecht is ook een plicht.

Over deze houding : onzekerheid over wat zeker lijkt, een argwanende dunk van het eigen kennen en kunnen, maatschappelijke verwachtingen en verplichtingen, tijdsdruk, gedrevenheid, en hoe dit alles leiden kan tot wetenschap, ergernis bij anderen maar ook lof - daarover wil ik het hebben.

Vrij, onafhankelijk, consequent doorgedreven onderzoek, dat zijn de kwaliteiten die vandaag worden bekroond. Het kritisch-analytisch denken dat aan deze hoedanigheden ten grondslag ligt spaart niemand, zeker zijn denker niet. De kwaliteiten worden tegen het licht van hun voorwaarden gehouden. En bij dit nader toezien blijkt, dat vrijheid en onafhankelijkheid bestaan uit bewustzijn van en kennis over de bindingen die hen mogelijk maken. De voor-waarde van vrijheid, wat ze tot waarde maakt, is besef en kennis van wat haar bepaalt. Vrij is wie dat in vraag stelt. Denken dat over zichzelf nadenkt, vragen die zichzelf in vraag stellen, kennis die op de hoogte blijft van haar onwetendheid. De onzekerheid van zekerheden, deze zekerheid van onzekerheden, dát is vrij denken. Een geheugen als een zeef, enige traagheid van geest en veel zelftwijfel zijn, zoals ik uit ervaring weet, bruikbare hulpmiddelen.

Kritische verwondering, invraagstelling, wantrouwen. Geen zekerheid te hoog, geen huis te heilig. Twijfel aan van alles en nog wat. Van de juistheid van woord- of denkbeeld, tot de betekenis van een emotie. En niet ten onrechte. Het verzoek van de fotograaf om 'cheese' te zeggen, werkt : jewordt glimlachend ingekaderd en je voelt je ook even happy, de duur van de glimlach. Emoties kunnen opgewekt worden, ook verdrietige. Mogelijk bestaan er zelfs geen specifieke emoties, is er alleen een algemene toestand van opwinding, een betekenisarm grondgevoel dat betekenis ontleent aan de context waarin het zich voordoet, met inbegrip van medemensen, hún emoties en verwachtingen.

De veeleisendheid die wie me kent vaak ook betreurt, is gebondenheid aan regels. Regels van logica, kennis en tastbare werkelijkheid; een niet aflatend oordelen, door de Grieken al kritiek geheten. Dat is ook voor degene die eraan lijdt geen sinecure. Vandaar waarschijnlijk dat nogal wat lijders aan wetenschap vertier zoeken in werelden die meer door emoties en fantasie dan door rede worden bepaald : van science-fiction tot religie. Hetcredo quia absurdum, geloven ómdat het ongerijmd is, kan op die wijze begrepen worden. De prikkel van een déjà-vu, de meer dan vage herinnering aan prille kinderjaren, de prelogische mentaliteit, toen alles nog absurd, zonder vorm, reden of betekenis was. Redenen van het hart, onwetendheid van de rede.

Wetenschappers zijn geboeide mensen. Ze liggen aan banden en verheugen zich daarover. Maar deze gebondenheid, dit niet anders kunnen, deze onvrijheid, is slechts mogelijk als ze op maatschappelijk vlak relatief onafhankelijk, ongebonden en vrij zijn. De onvrijheid van de wetenschap moet niet onnodig ook nog sociaal bekrachtigd worden. Natuurlijk moeten wetenschappelijke doelstellingen en toepassingen maatschappelijk, moreel verantwoord zijn en worden. Weten zonder geweten leidt tot rampspoed, zoals Rabelais al schreef, "Science sans conscience n'est que ruine de l'âme". Maar de werkwijze en werkingswijzen van de wetenschap mogen niet gegijzeld worden door maatschappelijke of bureaucratische structuren, geringeloord door politieke en economische overwegingen.

Kritiek, analyse, systematische twijfel, het niet kennen van antwoorden, onwetendheid en onzekerheid dus, dat zijn enkele wezenskenmerken van wetenschap. Maar die essentialia verdwijnen meestal op de achtergrond van wat zeker is of lijkt, wat met succes gekend wordt, maatschappelijk aanvaard en bruikbaar is. Mensen hebben geen boodschap aan onzekerheid en twijfel, ze hebben nood aan zekerheden. Die van Dreft, Marlborough, Cross your Heart en Coca-Cola, die van maatpakken en uniformen, grendels en bezit, intelligentiequotiënten en scheppingsverhalen, heteroseksualiteit en rassenwaan, nationalisme en discriminatie, eugenetica en volkenmoord.

De geruststellende zekerheid van ondubbelzinnige mythes wordt natuurlijk node ingeruild voor de verontrustende meervoudig-heid van kennis. Zekerheden hebben een grote massa, ze zijn moeilijk in beweging te krijgen, bieden veel weerstand. Ze zijn van groot gewicht, worden niet gemakkelijk in vraag gesteld. Mensen willen vastigheid en eenvoud, directe handgrepen op de werkelijkheid. Dat is begrijpelijk en gerechtvaardigd. Onzekerheid is moeilijk te torsen en te grote twijfel verlamt het handelen.

Van een specialist wordt verwacht dat hij veel, álles weet. Begin een vraag nooit te beantwoorden met de toelichting dat de werkelijkheid meerduidig is, dat het allemaal vrij ingewikkeld is. Eén zekerheid heb je dan : een flink deel van je publiek haakt terstond af. Toegeven dat je het antwoord niet weet, is volledig uit den boze. Die onwetendheid straalt af op wat je wel weet, het lijkt er minder waardevol door te worden, je boet aan geloofwaardigheid in. Huisartsen kennen dit fenomeen goed. De patiënt verwacht een diagnose en, als het even kan, een voorschrift. "Dokter, dokter, doe een wonder, maak me gezonder !" Mensen willen nù, direct, op staande voet een middel tegen kanker én aids. Ook mediamensen hameren op zekerheid en eenvoud. Een vaste en dáárom overtuigende stem, zonder aarzeling, nuancering of uitweiding. Relevante inhoud wordt soms in functie daarvan weggeknipt.

Verklaren is klaarte brengen in duisternis. Dit verhelderen van doorgaans ingewikkelde zaken, toestanden en gebeurtenissen, houdt onvermijdelijk vereenvoudiging, simplificatie en vulgarisatie in. Kennisgegevens binnen het bereik van de massa brengen. Dan kunnen er velen van profiteren, mogelijk baat bij hebben. Een wetenschapper die niet kan of wil vulgariseren, die de eigen onwetendheid niet even opzij kan zetten, heeft geen publiek. Hij verheldert niet, hij verduistert.

Maar er zijn grenzen. Vulgarisatie mag nooit vulgair worden, ontaarden in simplisme, mythe, verzinsel, drogreden of voorwendsel. Kennis die onwetendheid maskeert, die doet alsof ze de werkelijkheid in pacht heeft, verlaagt zichzelf tot instrument van de onwetendheid, haar tegendeel. De lijfeigenschap van de geschiedschrijving bijvoorbeeld, in dienst van de groten van deze aarde. Geschiedenis als lakei van de macht. Clio, de naam van de muze van de geschiedenis - Kleio in het Grieks - betekent niet voor niets 'de Roemende'. Een zelfverheerlijking die teruggaat op algemeen menselijke behoeften en verlangens. Zekerheid, afweer van onzekerheid bijvoorbeeld. Door anderen, vreemden, vijanden met alle zonden te beladen, verontschuldigt men zichzelf. Men deculpabiliseert, streelt de ijdelheid, sterkt het zelfbeeld. De vijand als almachtige demon, door ons verslagen; een werkzamer absolutie is nauwelijks denkbaar. Maar de zelfverheffing tot redder van de geschiedenis werkt ook averechts. In plaats van een les te leren, snijdt men Clio de keel over.

De gedachte dat om te voorkomen herinneren volstaat, is een gevaarlijke illusie. Kennis over het verleden kan inzicht bieden in onze herkomst, waar vandaag vandaan komt; maar Clio is geen waarzegster, ze is toekomstblind. Geschiedkundigen zijn als voorspellers niet beter toegerust dan weerkundigen die ver vooruitzien; verder dan seizoensgebonden algemeenheden komen ze niet. Zelfkritische kennis over wat vroeger goed en fout gelopen is, kan een leidraad zijn voor ingrepen op het enige vlak waar iedereen een beetje macht heeft : het eigen gedrag. Dat is altijd beter dan symptoombestrijding en huilen met de wolven in het bos, voor of tegen fascisme, maar steeds voor een Goede Zaak. Met geschiedenis is het zoals met vrijheid gesteld. Bewustzijn van wat ons bindt en bepaalt verheldert, maakt handelen iets mogelijker, mishandelen iets onwaarschijnlijker. Zekerheid en almacht zijn niet van deze wereld. De toekomst, het steeds weer heden worden, wordt voornamelijk door andere machten, factoren en evoluties bepaald; krachten en chaotische processen die grotendeels ontsnappen aan menselijke ingrepen.

De complexiteit van de werkelijkheid, de veelvormigheid van de wijze waarop ze benaderd kan worden, de onzekerheid van kennis dus, mag in geen geval weggemoffeld worden bij het beoefenen en aanleren van wetenschap. Omnipotentie, alwetendheid en onfeilbaarheid zijn de nachtmerries van de wetenschap, haar negatie. Toch wordt ook in de academische wereld dikwijls op zeker gespeeld. Ook daar wordt kennis dikwijls hoger gewaardeerd dan kennisverwerving. Het gekende wordt benadrukt, onwetendheid wordt verzwegen, verbannen naar de kleine lettertjes. Mijn promotor hield me destijds voor dat een geleerde als hij, mits een uurtje voorbereiding, over om het even welk onderwerp een zinvolle voordracht kon geven. Grootspraak ? Ongetwijfeld, maar hij aanvaardde wel om over de meest uiteenlopende onderwerpen te spreken. Een ander hoogleraar bulderde tegen een auditorium vol zenuwachtige kandidatuurstudenten : "op een examen moet je niet bewijzen veel of alles te weten, je moet bewijzen dat je geniaal bent !". Het wás meer dan een spitsvondige grap. Deze prof had in de lessen en daarbuiten altijd op alles een ingenieus antwoord. Onder professoren - om met de titel van een berucht boek te spreken - is het meer dan ongebruikelijk, taboe bijna, blijk te geven van enige onwetendheid.

Deze toestand van valse zekerheden, schijnkennis, échte onwetendheid, wordt in de hand gewerkt door bepaalde aspecten van het beleid en de financiering van menswetenschappen. De resultaten van humane wetenschappen zijn verre van direct of voor iedereen duidelijk. De rente laat lang op zich wachten, de winst is minder tastbaar dan bijvoorbeeld het geld dat in de wapenindustrie wordt gepompt. Varkens kweken levert meer op dan intellectuelen opleiden, en tenslotte moeten ook zij eten. Door democratisering en verplichting van hoger onderwijs, dit laatste als face-lift voor de werkloosheidscijfers, komen er ook steeds meer menswetenschappers. De middelen die ter beschikking worden gesteld, worden in steeds kleinere aandelen en termijnen opgedeeld. Deze en andere maatschappelijke redenen, en de toepassing van het kapitalistisch model op de menswetenschap, zorgen ervoor dat ze stiefmoederlijk bedeeld wordt. Om in de gunst te blijven moet ze zich voordoen als wonderkind. Ze moet op steeds kortere termijn steeds grotere zekerheden bieden. Veel menswetenschappers, vooral jongeren die nog alles moeten en willen bewijzen, zien zich genoodzaakt zekerheden voor te wenden.

Menswetenschappelijk onderzoek is almaar afhankelijker geworden van kortstondige financiële programma's. Een jaar, hooguit enkele jaren krijg je. Andere kansen om aan gericht onderzoek te doen zijn meer dan schaars. Het aantal gegadigden is dan ook groot en de concurrentie is messcherp. Niet alleen onder personen, ook instellingen zijn in een ware concurrentieslag verwikkeld. Beste beentjes worden voorgezet, andermans beentjes gelicht. Veelbelovende projecten, die meer beloven dan haalbaar is binnen de door de mecenas gestelde termijn, zijn bijna dagelijkse kost. En er is geen tijd voor zorgvuldige beredenering van de wetenschappelijke vraagstelling, voor kritische uitwerking en beproeving van hypothesen. Die noodzakelijke stappen worden steeds vaker overgeslagen. Aangezien vooraf doorgaans niet geweten is of een bepaald project gehonoreerd zal worden, zou het vanuit het oogpunt van de goede werking en het voortbestaan van de instelling ook contraproduktief zijn veel energie te verspillen aan een wetenschappelijke verantwoording vooraf. Gevolg : in de rappigheid worden blauwdrukken gemaakt die zo aanlokkelijk mogelijk voorgesteld worden. Reklame voor een onbestaand produkt. Wetenschap te koop ! Ernstige, omstandig gemotiveerde voorstellen, waarin terdege rekening gehouden wordt met tijdslimieten en faalkans, geraken nooit door de eerste selectieproef, ze belanden in de prullemand van de directeur. Voortdurend wordt men gedwongen wissels op de toekomst te trekken, speculeren op een gunstige ontwikkeling. Komt geld, komt raad.

Niet zelden wordt eerst naar kredieten gehengeld om dan, als men beet heeft, een onderzoeker aan te werven voor de duur van het krediet. Die onderzoeker moet beantwoorden aan het academisch profiel, het juiste diploma, maar hij of zij moet vooral ook kaderen in de op dat moment politiek en universitair vereiste constellatie. Kennis van het te bestuderen onderwerp kan een pluspunt zijn, maar primeert zeker niet.

Eens de buit binnen wordt, om geen gezichtsverlies te lijden, een deel van het geld besteed aan het ophouden van de schijn. De niet haalbare resultaten die in het vooruitzicht werden gesteld, moeten na afloop als gerealiseerd voorgesteld worden. Het onderzoek wordt met het oog op eventuele verlenging van het krediet uitgemolken, beschikbare gegevens worden zo gecombineerd dat het lijkt alsof er toch wezenlijk succes geboekt werd. De Amerikanen hebben hier al een woord voor, data-dredging, baggeren naar bruikbare informatie - niet toevallig een woord dat naar de informatica verwijst. Imponeren, zekerheid voorwenden, voor velen is het een overlevingstactiek geworden. De ontkrachting van een hypothese, de kans om daaruit te leren en beter op het doel afgestemde vragen te stellen om vruchtbaarder onderzoek te verrichten, wordt als een mislukking opgevat en weggemoffeld of door de meest wonderlijke redeneringen omgetoverd in een succesverhaal. Een goedkoop beleid werkt goedkope successen in de hand en die remmen wetenschappelijke vooruitgang af.

Menswetenschappers roeien niet met de riemen die ze hebben, maar met de stokken die ze krijgen. Het is wetenschap op krediet, van het Latijns credire: geloven, vertrouwen schenken. Het vertrouwen dat men krijgt, het broodnodige krediet, moet men zelf wekken. Door dik te doen, zich op te blazen, meer beloven dan haalbaar is. En het krediet kan zelden afbetaald worden. Het gaat immers om placebo-kennis, zonder werkzaam bestanddeel. Het is wetenschap om te behagen, placere in het Latijn. Weten om in de smaak te vallen, als hovelingen. In het Frankrijk van de negentiende eeuw werden die placebos genoemd.

In deze wereld van verkoop- en kijkcijfers, kosten en baten analyse, glamour en flitsend succes, wordt wie na enkele jaren onderzoek een omstandig wetenschappelijk rapport indient waarin de bakens worden uitgezet voor voortgezet onderzoek, die een betrouwbaar instrument aanbiedt om de werkelijkheid vérder open te breken, wie dat waagt, wordt hooguit bedacht met een meewarige blik. Tijd is geld. En geld is er voor bepaalde zaken altijd te kort, zeker voor die menswetenschap die zich toelegt op wat voorbij is, de geschiedenis, die dus bijna per definitie geen direct nut lijkt te hebben. Geen geld, geen tijd. Maar wel wetenschap, zonder tijd, in een mum van tijd, omwille van het geld, gesoldeerde wetenschap. Ogenblikkelijke wetenschap, instant-science, instant-soup. Wetenschap zonder diepgang, aan de oppervlakte; oppervlakkige wetenschap - een contradictio in terminis. Deze oppervlakte-wetenschap, cover-erudition, is een kind van haar tijd : directe bevrediging en succes, zich een weg bluffen als jonge goden, een claque inhuren om zichzelf in het applaus te zetten, de geprefabriceerde lachsalvo's van komische televisieseries. De korte afstand, geen marathon. Loon vóór het werken, lenen en speculeren. Een tijdperk waarin men de tijd niet neemt of maakt, maar wint of verliest. Ook in de academische wereld.

Dit escalatieproces wordt aanzienlijk versneld door de uit de pan rijzende kennisproduktie. Steeds meer volle en holle wetenschap, testbare hypothesen en woordenkramerij. Specialisten zijn al lang niet meer bij machte de publikaties op het eigen vakterrein op een serieuze manier bij te houden. In beslag genomen door veeleisende leeropdrachten en gehinderd door beleidsverzuchtingen, houden ze bitter weinig tijd over om kennis te nemen van de kennisontwikkeling, kaf van koren te scheiden en verder te denken. Iedereen heeft het te druk, kan maar een klein deel van de informatie aan, moet omwille van het voortbestaan veel tijd en energie stoppen in projecten, voorstellen, publikaties, vergaderingen en colloquia. Velen worden tegen wil en dank zozeer in beslag genomen door vormen, dat er maar weinig tijd en energie overblijft voor inhoud.

Op colloquia, de samenspraak van wetenschappers, worden speciaal voor de gelegenheid vervaardigde blauwdrukjes, als werkelijkheid voorgesteld. Er worden proefballonnetjes opgelaten, elk spoor van onwetendheid wordt angstvallig verborgen gehouden, afwijkende meningen worden ingeslikt, diepgaande dialoog over nieuwe ontwikkelingen en publikaties wordt uit de weg gegaan. Wetenschappelijke publikaties zijn in de eerste plaats belangrijk voor de uitstraling van de universiteit, liefst internationaal. Artikels en boeken in het Nederlands worden onderhand als vrijwel waardeloos beschouwd voor curriculum en academische survival.

Wetenschappelijke bibliotheken worden volgestouwd met boeken die in het beste geval geraadpleegd worden maar die geen mens nog van A tot Z leest. Publikaties worden tegenwoordig geteld, niet gelezen. Geen wonder dat het steeds meer op wegwerpwetenschap begint te lijken. Oeverloze herhaling, variaties op vergeten theorieën, kringetjes draaien aan het oppervlak van de realiteit. Surface en surplace. Recensenten lezen nog, maar al te vaak diagonaal, alleen inhoudstafels en flapteksten. Uitgevers kunnen bijna niet anders dan daarop inspelen. De auteur wordt aangespoord tot een zelfbespreking die dan samen met het recensie-exemplaar naar journalisten wordt gestuurd. Mensen zijn niet dom, ze worden dom gehouden. Nog een voorbeeld. In Nederland bestaat er een overkoepelende instelling die alle boeken bespreekt om het selectiewerk van bibliothecarissen te verlichten. Begin dit jaar liet het hoofd van deze instelling me weten dat een van mijn recent verschenen boeken "te wetenschappelijk" is en daarom niet aan 's lands bibliotheken kan worden aangeboden.

Gedegen inzicht moet steeds meer plaats maken voor snel overzicht. Details zijn niet relevant, ze vallen toch tussen de plooien van de statistiek, de Grote Lijnen. Detailkennis is een handicap op de snelweg naar geld en goedkoop succes. Enkele maanden geleden bood ik mijn directeur aan om in het jaar dat me als onderzoeker restte, honderden meters archiefstukken en boeken door te lichten op het onderwerp nazi-kampen. Het leek me zinvol om de informatie die jarenlang onnaspeurbaar werd weggeklasseerd alsnog te ontsluiten, ze toegankelijk te maken voor het grote publiek. Mijn voorstel werd weggewuifd en vergeleken met een bioloog die het Amazonegebied intrekt om één plantesoort in kaart te brengen.

Lobbying en voortrekkerij, de willekeurige en onwillekeurige groepsaspecten van denken en kennis, vermeld ik alleen volledigheidshalve. Iedereen is op de hoogte. Een kennis van me, een historicus, bestudeert overlijdensberichten om dergelijke relatienetwerken op het spoor te komen. Relaties, die andere banden van de vrijheid, spelen een belangrijke rol en niet alleen in negatieve zin. Wat op wetenschappelijke of politieke samenkomsten publiek gezegd wordt is dikwijls van veel minder gewicht dan wat in de gangen, off the record, wordt afgepraat en bedisseld. Lobby is het Engelse woord voor de ruimte - hall en wandelgangen - naast het eigenlijke parlement, waar de beslissingen publiek besproken worden. Niets is menselijker dan een mens.

Maar misschien is er toch weer hoop, licht in de duisternis. Net nu, nu informatie en kennis, hun verwerving en verwerking, onoverzienbaar en onoverzichtelijk geworden zijn, in die mate zelfs dat er informatie-hinder en kennisoverlast is, komen er middelen ter beschikking die totaal overzicht en orde beloven. De personal computer, steeds krachtiger programma's, multimedia, intermedia, inter-activiteit, virtual reality, Internet : steeds meer en verder reikende zekerheden, volledige controle over feit én fictie; totale deelname, medezeggenschap en macht. Op het kritieke moment, als alles onbeheersbaar dreigt te worden, wordt absolute overheersing in het vooruitzicht gesteld.

De nieuwe technologieën scheppen een overaanbod aan informatie en vertier, én maken het mogelijk er zich doorheen te zappen. Dat leidt op zijn beurt tot programma's die, om toch de aandacht van de gebruiker vast te houden, een gezapte werkelijkheid aanbieden, zonder veel inhoud, maar met een des te flitsender vorm. De informatiestroom heet bereikbaarder door informatiesnelwegen maar, zoals dat met snelwegen gaat, blijkt vrij snel dat ze het minst bruikbaar zijn als ze het meest nodig zijn, simpelweg omdat iedereen ze dan gebruiken wil. Resultaat : file-vorming. Op het moment dat we dreigen te verzuipen in kennis en informatie, worden steeds meer technieken ontwikkeld om op die stromen te surfen : aan de oppervlakte in beweging blijven. Nu in de geïndustrialiseerde, rijke landen intermenselijk contact onstabieler en onzekerder is geworden; nu steeds meer mensen kiezen voor losse, vrijere relationele en ideologische banden en verbanden, waardoor ook gevoelens van eenzaamheid, zinloosheid en onvrijheid toenemen; nu de vrije tijd uitdijt en ontspanning steeds meer inspanning vergt; op dit eigenste moment wordt de illusie gewekt van totale, universele, onmiddellijke, tijdeloze communicatie en bereikbaarheid. Het wereldwijd web, een netwerk van netwerken, global village, de rijke wereld als dorp.

Elektronische post wordt ontvangen op het moment dat hij verstuurd wordt. Dat een aanzienlijk deel van de tastbare post al lang niet meer werd beantwoord, doet er niet toe. Dank zij Internet hoeft men ook geen tijd of inspanning meer te verliezen met het bedenken van trefwoorden voor boeken, ze worden eenvoudigweg ingepikt bij bibliotheken die al verder staan. Wie op het gevaar van uniformisering en vermenigvuldiging van fouten wijst, is een kniesoor. Ook het tijdrovend werk aan artikels wordt vereenvoudigd door de mogelijkheid je bibliografie op te smukken door middel van enkele gracieuse bewegingen met de computermuis. Een rat is het ! Aldus wordt duidelijk waarom de gelegenheid om vanachter je persoonlijke computer de Library of Congres te raadplegen, de centrale Amerikaanse bibliotheek waaruit je vanuit Europa geen boek kùnt uitlenen, toch als een belangrijk pluspunt wordt gezien.

Gouden bergen worden in het vooruitzicht gesteld. Het is waar dat een aanzienlijk deel van de vierhonderd rijkste mensen in de VS rijk geworden is achter het computerscherm, door speculatie, geld kopen en verkopen. Maar in de menswetenschappen zijn er als Eldorado, alleen bibliotheken. Maar daar kan je enkel geestelijke rijkdommen verwerven. Wetenschap zonder moeite, zonder gedegen kennis en veldwerk, is een luchtkasteel. Maar de zich als een olievlek uitbreidende technische middelen maken het mogelijk om steeds meer tussenstappen over te slaan die wetenschappelijk gezien noodzakelijk zijn. De luchtkastelen worden nu gebouwd zonder cement of steen. Het technisch hulpmiddel wordt tot wetenschappelijk middel verheven.

De kans om op vrij eenvoudige wijze en in korte tijdspanne een onoverzichtelijke hoeveelheid gegevens te onderwerpen aan allerhande mathematische en statistische bewerkingen heeft een toestand geschapen waardoor middel en doel, fictie en feit gemakkelijk met elkaar verwisseld en verward kunnen worden. Dergelijk grootschalig onderzoek moet normaal gesproken voorafgegaan worden door zorgvuldige overweging, vraagstelling en uitwerking. Het kan en moet een team onderzoekers aan de slag houden, voor- en nadien. Daarvoor is tijd noch geld. Maar dank zij de informatica bestaat het niet serieus uitvoerbare project wel virtueel. In de concurrentieslag om fondsen duurt het niet lang vooraleer die mogelijkheid als werkelijkheid wordt voorgesteld. Haalt men het krediet binnen, dan vervaardigt de informaticus van dienst een computertoepassing om een realiteit te vangen die hem als specialisme volkomen vreemd is. Zonder voorkennis benaderde en gestandaardiseerde informatiebrokstukjes worden aan de computer opgevoerd. Al doende wordt hier wat gesleuteld, daar wat bijgestuurd, geknipt en geplakt, gecondenseerd en vereenvoudigd. En aan die geconstrueerde werkelijkheid worden áchteraf vragen gesteld. Men stelt antwoorden in plaats van vragen. Kennis wordt met kunst- en vliegwerk naar de hand gezet. De uitkomst wordt met behulp van technische hoogstandjes vakkundig verpakt en als oogverblindend wetenschappelijk resultaat voorgesteld.

Aan universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen worden waar nodig academici opgesloten in het dwangbuis van economische vereisten en bureaucratische normen. Enkelen worden verplicht les te geven over onderwerpen die ze ternauwernood kennen, laat staan beheersen. Op een hoger machtsniveau is het niet anders, de stoelendans van politiekers die omwille van machtscompromissen van ministerie veranderen alsof het een maatpak betrof, blijft velen met verstomming slaan. Eerst leven, dan filosoferen, wisten de Romeinen al. Brecht preciseerde later : eerst eten, dan de moraal.

Niet dat dit alles vroeger niet gebeurde, het is nu alleen eenvoudiger geworden en wijder verbreid. Er zijn meer wetenschappers en veel krachtiger goocheltrucs. Door het overaanbod aan wetenschappelijke produkten is de controle verslapt in plaats van vergroot. Er wordt almaar meer blufpoker gespeeld. Tekortkomingen, mankementen en mislukkingen worden binnenskamers gehouden, toegedekt. Je mag de eigen ruiten niet ingooien. Onderzoeksresultaten worden als succesverhalen gepubliceerd. De ontdekking van wat fout gelopen is wordt overgelaten aan anderen zonder tijd, dus aan het lot.

Meer wetenschappers, dus ook meer gewetensvolle geleerden. Proportioneel gezien zullen er wel ongeveer evenveel zijn als vroeger. In de massa academici die uit de universiteiten stroomt vallen ze alleen wat minder op. We moeten elkaar niet met de vinger wijzen, het gaat niet om personen maar om maatschappelijke structuren die wetenschappers in richtingen stuwen die ze uit hoofde van hun beroep horen te verafschuwen. Maar een beroep is nu eenmaal ook een broodwinning.

"Surfen op de werkelijkheid", die boodschap verkondigde een geschiedkundige enkele weken geleden op een colloquium, in alle ernst dus. Laat varen die obsessie rond oorzaken en gevolgen, dat is toch allemaal discutabel, alles is talig, niet meer dan verhaal. Surfen moet je doen, hier wat grasduinen, daar een verbandje leggen, zappen; niet te veel methode, snel en lenig, om geen natte broek te halen. Geschiedkundigen construeren verhalen om gebeurtenissen te dedramatiseren. Het drama, wat men niet begrijpt, wordt ontwapend door het in een verhaal, in een context te plaatsen. Het verhaal van deze oververzadigde intellectueel is wel bijzonder onvolledig. Verhalen, mythes, wereldbeelden, religies en menswetenschappelijke verklaringen hebben vaak veel meer weg van een drama. Gebeurtenissen en voorvallen worden eerder gedramatiseerd dan gededramatiseerd. Het gebeurde wordt verrijkt met intenties en moraal, verpersoonlijkt en gesubjectiveerd. Toeval, chaos, tegen- en voorspoed worden aangedikt met goed en kwaad, geluk en ongeluk. De wetenschap daarentegen, stelt zich ten doel om in de mate van het mogelijke subjectiviteit door objectiviteit te vervangen, dramatisch overzicht door genuanceerd inzicht, bedoeling door oorzaak, alomvattende mythe door gedeeltelijke verklaring, schijnzekerheid door onzekerheid. De demonisering van nazi's en Vlaams Blokkers die toelaat al het kwaad aan hún onmenselijkheid, hún boosaardige inborst te wijten, de absolute intentionalisering van de Holocaust - alles was lang voordien gepland, dát is het talige drama dat verhindert dat we aan het échte drama toekomen : dat we allen boter op het hoofd hebben, potentiële Eichmanns zijn. Op die wijze is er voor ons, figuranten in dit drama, dramatis personae, toch nog een rolletje weggelegd : op de hoogte blijven van onszelf, op onze hoede zijn voor zelfoverschatting.

Er zijn, zeggen moderne subjectivisten van divers pluimage, alleen maar verhalen, van kwakzalverij over psycho-analyse tot wetenschap. Gradaties van onzekerheid en controleerbaarheid worden weggewuifd als overblijfselen uit een achterhaald verleden, beneden de intellectuele waardigheid. Het onder woorden brengen, in denkbeelden gieten, omkaderen, het ver - zinnen, wordt laatdunkend afgedaan als verzinnen. Wetenschap wordt verlaagd tot tijdverdrijf, iets om de tijd te doden; alsof die leeft en niet beleefd moet worden. Uitgehold door negativisme blijft alleen vorm over. Het onderscheid tussen feit en fictie is niet opgeheven, het wordt opgegeven.

Het vertrouwen is zoek. Niet alleen in de grote ideologische verhalen, ook in de wetenschap. Deze fin de siècle en fin de carrière mentaliteit schrijft de werkelijkheid af als verhaal. Wetenschappers die zich op dit terrein verdienstelijk proberen te maken doen aan zelfbevlekking. Het is een vorm van intellectuele perversie. Het hulpmiddel, kennis en intelligentie, wordt tegen het middel, tegen de wetenschap, tegen het eigen beroep gekeerd. Ik kan daar kort over zijn. Een goed pastoor is beter agnosticus dan fanaticus; voor mijn part is hij ongelovig, als hij maar mensen helpt. Maar als hij publiek tegen de eigen parochie preekt, kan hij maar beter opstappen.

De gedramatiseerde geschiedenis, met duidelijke en onbetwijfelbare booswichten en weldoeners der mensheid, behoedt ons voor zelfrelativering en ontluistering, niet zelden door zelfverheerlijking. Het is fluiten in het donker, angst bezweren, verhaaltjes voor het slapengaan. Wetenschap moet de wereld niet betoveren, maar onttoveren. Dedramatisering, demystificatie, ontmythologisering. Onderzoek, zoeken onder en achter verhalen. Zeer zeker, een wetenschapper houwt beelden, maar hij bestormt ze ook, in de eerste plaats zelfs. Wetenschap is opstandig, rebels en revolutionair, ze verandert, omwentelt, verstoort de orde van het gekende en geleerde. Ze ontregelt, brengt in de war, ze derangeert, verstoort de rangen. Ze verordent niet, ze stelt in vraag. Dat levert op lange termijn winst op die niet tot ieders verbeelding spreken kan : onzekerheid in plaats van chaos, de onzekerheid van kennis in plaats van de zekerheid van mythe. De prijs van vrijheid is onzekerheid. Zwak en zoekend licht in de duisternis. Feiten zijn de dwarsliggers van het spoor dat naar kennis leidt, weerspannige fundamenten en fundamentele tegenspraak. Het besef van onwetendheid, dat onechte kind van kennis, houdt de nieuwsgierigheid, de zucht naar kennis in het leven, en behoedt ook voor sprongen in het duister, overijlde maatregelen om onzekerheid weg te nemen. Wetenschap is geen scheppingsverhaal. Aarzelend verklaren, geen overhaasting, zorgvuldig handelen, om wat meer reële, aan realiteit gebonden vrijheid te verwerven.

Dat dwarsliggers als ik - gelukkig ben ik niet alleen - ambetanterikken, veeleisende kritikasters, wereldvreemde individualisten, zonderlingen, koppigaards, kansen krijgen om verder tegendraads en doorn in het oog te zijn, lijkt een uitzondering die de regel ontkracht. Maar de regel wordt in feite bevestigd : wie niet volgzaam is, niet volgt, mag nooit echt meelopen, hoort er niet bij, blijft een buitenstaander. Lastposten laat men links liggen, ze vertragen de snelheid van denken, produceren en verbruiken. Veel onbegrip en uitsluiting, tegenwerking en tegenkanting, eenzaamheid en onzekerheid. Keihard doorwerken en doordenken. Niet alleen omdat je dat graag doet, ook omdat het moet. Om toch aan de bak te komen. Dat is de prijs die ik betaal voor de vrijheden die ik neem. Gelukkig is er ook, is er vooral : hulp, bewondering, aanmoediging. Ik grijp de gelegenheid dan ook met beide handen aan om al diegenen die me door dik en dun gesteund hebben en blijven recht houden van ganser harte te danken. Vandaag krijg ik zowaar maatschappelijke erkenning voor een houding die maatschappelijk succes bemoeilijkt. Voorwaar geen geringe steun en aansporing om verder te doen. Op mijn inzet kunt u rekenen.

Tekst geschreven ter gelegenheid van de toekenning van de 46ste Arkprijs van het Vrije Woord (1996) en verschenen in de brochure die voor die gelegenheid werd uitgegeven. De lichtjes ingekorte tekst verscheen verder nog in Streven, juni 1996, p. 515-524.